De betekenis van Gods naam

Er is een boek dat ik zou willen kussen. Ik zou mezelf erin willen verliezen. Dat boek is de bijbel. Vind je me overdreven? Niet als je weet wat ik ontdekt heb. Als de bijbel opengaat, stap je Gods wereld binnen. Grote wereld, zoveel meer omvattend dan jouw eigen kleine wereld hier en nu, zoveel rijker, zoveel verrassender, zoveel zekerder ook. Daar mag je met hem optrekken. Onderweg maakt hij zijn naam bekend. Die naam! De bijbel en die naam!

Hoe lezen we de bijbel? Meestal vissen we wat bijbelteksten op waar we houvast aan hopen te hebben. Sommige teksten zetten we op melodie zodat we er blij van worden. Daar heb je wat aan, zeggen we dan. Maar de eerste vraag bij bijbellezen is niet: wat héb je eraan? Dan zoek je te snel naar resultaat. De vraag is allereerst: wat dóe je erin?

Stap erin
De bijbel moet je namelijk binnenstappen. Hij is bedoeld om in te verkeren, om vanuit te leven en om al doende God te leren kennen. ‘Ik zal voortgaan op de weg van uw geboden, want u geeft mij de ruimte’ (Ps. 119:32). De bijbel vraagt om overgave. Als je je overgeeft aan Gods woord, wordt bijbellezen een intense ervaring met God. Je leert zijn naam spellen.
Zeker: God heeft een naam. Een eigennaam. Maar hoe God werkelijk heet, is behoorlijk onbekend. Vreemd, als je bedenkt hoe vaak we over die naam zingen. ‘Looft God, looft zijn heil’ge naam…’; ‘Ik verhoog uw naam, ver boven heel de aard’…’; ‘Machtig is de naam van de Heer…’ – het zijn liederen die stuk voor stuk verwijzen naar Gods naam zoals die in de bijbel naar voren komt. We zingen erover, maar kénnen we die naam?
Jezus leert ons bidden: “Onze Vader in de hemel, laat uw naam geheiligd worden…” (Matt. 6:9). We bidden het mee, maar wat wéten we van die naam?

Gebruik je ogen
Ik zei het al: Gods naam is het woord dat het meest voorkomt in de bijbel. Zelfs zonder de bijbel te lezen, kun je dat zien. Je hoeft maar te kijken, je ogen over de bladzijden te laten glijden: dat woord springt op bijna elke pagina van het Oude Testament naar voren. Het is namelijk in hoofdletters gezet. HERE staat er. Of HEER in de moderne versie van de bijbel. Of HEERE in de Staten Vertaling. Het komt 6828 keer in de bijbel (in het Oude Testament) voor – dat is gauw zo’n zes of zeven keer per bladzijde. Zo vaak!
Toch is dat woord HEER niet Gods naam. Het is een titel, die als vertaling dienst doet. De naam van God die in de oorspronkelijke tekst staat is veel rijker aan betekenis dan het woord Heer doet vermoeden, zelfs al schrijf je het met hoofdletters. Waarom werd de naam dan zo vertaald?
Het Oude Testament werd in de Hebreeuwse taal geschreven. Gods naam staat er in vier letters weergegeven: JHWH. In onze bijbel staat er voor deze lettergroep dus Heer met hoofdletters. Dat werd al lang geleden door de vertalers besloten. De Joden die zo’n 250 jaar voor onze jaartelling hun bijbel (het Oude Testament) vanuit het Hebreeuws in het Grieks vertaalden, kozen voor JHWH het woord ‘Kyrios’. Dat betekent Heer. Zo kwam Gods naam in hun Griekse bijbel, hun ‘Septuagint’ te staan. De christenen namen later voor hun vertaling van het Oude Testament hetzelfde Griekse woord over: kyrios, Heer. (Hetzelfde woord Kyrios wordt in het Griekstalige Nieuwe Testament gebruikt voor Jezus als Heer. Vandaar: Heer God en Heer Jezus.) Maar omdat JHWH veel méér betekent dan Heer, werd voortaan (waar oorspronkelijk Gods Hebreeuwse naam JHWH in de bijbel staat) Heer in hoofdletters geschreven. Waar je nu in de bijbel Heer met hoofdletters ziet staan, staat dus eigenlijk Gods naam JHWH.

Volg de ontwikkeling
Het lijkt bizar om zo’n belangrijk woord zomaar weg te moffelen in de vertaling. Waarom werd de naam niet gewoon vertaald? Omdat niemand meer weet hoe je JHWH uit moet spreken. Hoe komt dat? Omdat de uitspraak van de naam verloren is gegaan. Klinkt vreemd misschien, maar daar zit dan ook een hele geschiedenis aan vast. Wie als een adelaar over de bijbelse geschiedenis zweeft, ontdekt iets vreemds. De naam is in de eerste bijbelboeken volop in het dagelijks leven aanwezig, maar maakt een terugtrekkende beweging en wordt praktisch verzwegen tegen de tijd dat onze jaartelling begint. Langzaam maar zeker werden de Israëlieten, de bewaarders van Gods naam, steeds voorzichtiger met die naam, totdat de uitspraak verloren ging.
Kijken we naar het begin. Al in Genesis 4, bij de geboorte van Enos, de kleinzoon van Adam en Eva, begonnen de mensen de naam van God aan te roepen. De naam was ook op de lippen van de aartsvaders tijdens hun trektochten. Abraham riep de naam uit toen hij zijn tent opzette, onderweg een altaar bouwde, of in de wildernis een boom plantte.
In de geschiedenis van de uittocht, doortocht en intocht van het volk Israël ten tijde van Mozes zie je de naam ook nadrukkelijk aanwezig. Mozes kreeg Gods naam geopenbaard bij een brandende braamstruik in de woestijn. Hij sprak de naam aan het Egyptische hof uit tegenover Farao. Hij bezong de naam in zijn beroemde bevrijdingslied na de doortocht door de Schelfzee, net als Mirjam.
De naam stond ook centraal in de tabernakeldienst. Hij werd zelfs gegraveerd op goud dat gedragen werd op de tulband van de hogepriester. Hij was volop aanwezig, op schrift en op de lippen van mensen.
De naam speelde een centrale rol toen Israël een volk met een eigen land werd. Priesters riepen de naam aan tijdens de offerdiensten. Koningen riepen de naam uit in de strijd. Profeten spraken in naam van de naam. In de Psalmen lezen we dat de naam werd bewonderd, gefluisterd en uitgeroepen in persoonlijke gebeden. Ouders gaven hun zonen namen die naar de naam verwezen. Heel de samenleving van Israël was doortrokken van de naam van God.
De tempel die Salomo in Jeruzalem bouwde, werd de plaats bij uitstek om de naam uit te roepen. En hoewel de opeenvolgende koningen en hun onderdanen niet leefden tot eer van Gods naam, bleef men drie keer per jaar naar de tempel gaan om daar de naam te vieren.
De verwoesting van Jeruzalem en de tempel door de Babylonische despoot Nebukadnezar in 587 voor Christus werd dan ook gevoeld als een directe aanval op de naam. Veel profeten klaagden daarover. Toen het volk in ballingschap weggevoerd werd, bleef van de Joodse godsdienst in het vreemde land alleen de naam nog over, in stilte gekoesterd. In de gebeden om uitredding werd God gevraagd om te reageren ter wille van zijn naam.
En inderdaad, een deel van het volk keerde terug. Maar in de jaren na de ballingschap verdween de naam langzamerhand uit de mondelinge sfeer. De tempel was kwetsbaar gebleken, zodat de naam als exclusief bezit beschermd moest worden. Hij raakte verborgen in de tempelrituelen en werd minder en minder uitgesproken. Totdat de naam alleen nog maar één keer in het jaar in het binnenste van de tempel klonk: in het heilige der heiligen, op de Grote Verzoendag.

Luister opnieuw
Ten tijde van Jezus Christus wordt de naam niet meer in het dagelijks leven gehoord. Waar JHWH in de boekrollen staat opgetekend wordt voortaan Adonaj gelezen, het Hebreeuwse woord voor Heer. Als in 70 na Christus de tempel door de Romeinen verwoest wordt, verdwijnt de naam (schijnbaar) voorgoed van de lippen van mensen.
De naam wordt volop genoemd in de Hebreeuwse bijbel, maar omdat tussen de letters JHWH geen klinkers staan (die ontbreken in het Hebreeuwse schrift), weet sindsdien niemand meer hoe je JHWH uit moet spreken. De naam is veranderd van een geladen uitroep in een mysterieus onuitsprekelijk teken…
Het lijkt alsof de naam uit de tijd wegstroomt, dat belangrijke woord dat zo’n centrale plaats inneemt in de bijbel. Maar juist op dat moment verschijnt Jezus. En wat blijkt? Zijn komst heeft alles te maken met de naam. Hij zegt: “Laat nu zien hoe groot uw naam is, Vader!” Dan klinkt er een stem uit de hemel: “Ik heb mijn grootheid getoond en ik zal mijn grootheid weer tonen.” (Joh. 12:28). De naam is onuitsprekelijk geworden, maar niet verloren gegaan. Hij wordt verheerlijkt in Jezus!
Jezus Messias bewaart het geheim van de naam: zowel de betekenis als de uitspraak. Hij staat garant voor de openbaring van de naam. Hij zegt: ‘Ik héb uw naam bekendgemaakt – en ik zal dat blijven doen’ (Joh. 17:26). Wat bedoelt hij daarmee? Dat je nu al de betekenis van de naam kunt ontdekken, als je Jezus leert kennen. De inhoud kan nu al dichtbij komen in Jezus; de uitspraak volgt later, als Jezus terugkomt en alles herstelt. God heeft zijn naam verheerlijkt en zal hem blijven verheerlijken. Eerst in Jezus, dan in al zijn kinderen. Jezus heeft Gods naam bekendgemaakt en zal hem blijven bekendmaken. Er komt een tijd dat de naam weer volop in het openbare leven zal klinken. Dan zal Gods naam opnieuw de hele schepping doordrenken. Zelfs op de bellen van de paarden zal de naam dan geschreven staan, schrijft Zacharia. De naam is dan allang niet meer uitsluitend het bezit van het volk Israël. ‘En de HEER zal koning worden over de hele aarde. Dan zal de HEER de enige God zijn en zijn naam de enige naam’ (Zach. 14:20,9).
We weten nu nog niet hoe we Gods naam zullen uitspreken, maar hij geeft je een nieuwe tijd in het vooruitzicht waarin je hem bij naam mag noemen. ‘Dan zal ik de lippen van de volken rein maken, zij zullen de naam van de HEER aanroepen’ (Sef. 3:9). Tot die tijd is de bijbel de ruimte die hij je aanbiedt om alvast de betekenis van zijn naam in te ontdekken, een ruimte die zich uitstrekt tot het leven en de wereld van vandaag de dag…

De bijbel lokt
Het is wonderlijk gesteld met Gods naam. Eerst het exclusieve bezit van Israël, toen bijna verloren gegaan – zo leek het tenminste – maar in Jezus glansrijk geopenbaard en bewaard voor iedereen die voor hem wil buigen. Want zo is het: Jezus volvoert Gods plannen, inclusief die met zijn naam. Voor ons geldt: eerst leren we dankzij Jezus de betekenis van de naam kennen, later de uitspraak. Die volgorde past precies bij Gods manier van denken. Hij gooit zijn naam niet te grabbel. Maar wie werkelijk wil weten wie hij is, lokt hij de bijbel binnen om de betekenis van zijn naam te leren kennen. Wie op zoek gaat naar de naam, moet zich overgeven aan Gods woord en ontwikkelt vervolgens een nieuwe manier van bijbellezen. Je ontdekt de eenheid van Gods boek. Alles staat in verband met de naam. In de naam ontmoet je God zoals je hem niet kende. Dáár is het God met zijn boek om te doen. De bijbel die Gods naam aanbiedt. God betrouwbaar en dichtbij. Wat een cadeau! Ben je benieuwd naar de inhoud van dit cadeau? Ik popel om de betekenis van Gods naam met je te onderzoeken…

De betekenis van Gods naam
Welk woord nemen we vaker op onze lippen dan elk ander woord? Welk woord noemen we het meest in publicaties en speelt de grootste rol in onze gedachten? Met stip op nummer één in ons taalgebruik staat het woordje ‘ik’. Maar niet in de bijbel. Daar stelt God een ander woord tegenover ons gevierde ik. Dat woord is zijn naam. Wat betekent dat woord?
Gods naam is het centrale woord in de bijbel, het grote thema dat de bijbel tot een eenheid smeedt. Telkens duikt de naam op: verrassend, sprekend, betekenisvol. Wie Gods naam leert kennen, gaat de bijbel met andere ogen lezen. Achter de geschiedenissen, de leefregels, de liederen gaat voortdurend deze naam schuil. Je wordt doordrenkt van zijn aanwezigheid, zodat je al lezend leert zeggen: ‘Hij is er weer!’ Of zoals God het in Jesaja zegt: ‘Daarom, op die dag, zal mijn volk mijn naam kennen, beseffen dat ik het ben die zegt: Hier ben ik’ (Jes. 52:6).

Uitspraak
Wat betekent Gods naam? We weten niet meer hoe de naam uitgesproken moet worden. In het verleden is wel gezocht naar een degelijke uitspraak van de naam. Sommige mensen plaatsten de klinkers van de Hebreeuwse titel ‘Adonaj’ (Heer) tussen de medeklinkers JHWH en om het mysterieus te houden vervormden zij deze klinkers ook nog, zodat zij de Godsnaam uitspraken als ‘Jehowah’ (of ‘Jehova’). Die uitspraak hield echter weinig verband met de betekenis van de naam, die we in de bijbel terugzien.
Andere mensen plaatsten de klinkers van het Hebreeuwse werkwoord ‘hajah’ tussen de medeklinkers JHWH, waarmee de Godsnaam uitgesproken werd als Jahweh. In die uitspraak werd wel iets bewaard van de betekenis van de naam. ‘Hajah’ betekent ‘zijn’, van ‘ik zal er zijn’, het werkwoord dat Mozes te horen kreeg toen hij God vroeg naar zijn naam (Ex. 3:14).
Als ik moest kiezen, koos ik voor Jahweh. Maar Jehowah of Jahweh zijn dus slechts pogingen om de naam opnieuw uit te kunnen spreken. Hoe dat precies moet weten we niet meer. De Joden hebben het in hun gesprekstaal over ‘Hasjem’ – de naam, en in hun gebedstaal over ‘Adonaj’ – de Heer. Onze Bijbel vertaalt Gods naam JHWH met HEER (in hoofdletters). HEER met hoofdletters helpt ons om te zien wanneer en hoe vaak Gods naam genoemd wordt, maar het zegt nog niets over de betekenis van de naam. Om die te ontdekken moet je je begeven in de geschiedenis die de bijbel beschrijft. De betekenis van de naam komt tot uitdrukking in concrete gebeurtenissen.

Betrouwbaar aanwezig
Mozes leeft in de woestijn als schaapherder. Hij groeide op als een prins in Egypte en kreeg de beste opleiding van zijn tijd. Maar toen hij in opstand kwam, moest hij vluchten en nu leeft hij al veertig jaar als een nomade, die jaar in jaar uit met zijn kudde langs de spaarzame groene stukjes grond trekt. En kijk: middenin de sleur van zijn dagelijks bestaan is God daar! Mozes ziet een braamstruik branden, zonder dat hij verteert. Hij komt dichterbij, doet zijn schoenen van zijn voeten en opent zijn hart voor Gods stem. Hij ontvangt een duizelingwekkende opdracht. Hij moet zijn volk uit hun slavenbestaan uit Egypte leiden. Maar namens wie moet ik optreden? vraagt hij zich af. “Wat is uw naam?” Hij krijgt geen visitekaartje in handen gedrukt met titels en telefoonnummers, maar hoort een naam die alleen maar zegt dat er een daad gesteld zal worden. Ik ben die ik ben, staat er in oudere bijbelvertalingen. Eigenlijk zou het actiever vertaald moeten worden met: Ik zal zijn: ik zal er zijn! (Ex. 3:13, 14)
Het lijkt een beetje magertjes dat God zichzelf zo voorstelt. Hoe heet God? Hij is: Hij zal er zijn. Maar gaandeweg zal Mozes de zinderende kracht van die woorden gaan ontdekken. Gods naam is de betrouwbare aanwezigheid in de taak die Mozes moet vervullen. Zo is God bij Mozes, als hij die er zal zijn. Zo is hij bij zijn volk. Hij is er, in hun slavernij, in hun bevrijding en onderweg naar de plaats waar ze thuis horen. Hij verplicht zich in zijn naam om erbij te zijn. Actief! IK ZAL ER ZIJN (zo, met hoofdletters en al, lees je de betekenis van zijn naam in de Nieuwe Bijbel Vertaling). Later zegt de HEER tegen Mozes: “Moet ik zelf meegaan om je gerust te stellen? Ik zal in mijn volle luister voor je langs gaan en in jouw bijzijn de naam HEER uitroepen: ik schenk genade aan wie ik genade wil schenken, en ik ben barmhartig voor wie ik barmhartig wil zijn” (Ex. 33:12-19). En zo wil hij als betrouwbare aanwezigheid ook in ons dagelijks leven zijn. Gods naam is krijgt gaandeweg betekenis. Letterlijk, gaandeweg: als wij onze weg met God gaan. Het feit dat jij en ik kunnen zeggen: toen-en-toen was God daar-en-daar in mijn leven aanwezig, geeft Gods naam inhoud en betekenis. Je zegt: “Ja, hij is er!”

Dichtbij mensen
Wie in de bijbel op zoek gaat naar Gods naam, ontdekt een andere God dan je zou verwachten. Hij is geen ‘oerleven’, in alles aanwezig, en geen grillige dobbelaar die het lot maar een eind weg laat rollen, hij is geen ‘neutrale macht’ die boven goed en kwaad staat en geen religieuze instantie die volgens regels en wetten te benaderen valt. Hij is verrassend anders dan alle goden die je maar kunt verzinnen. Niet wat ik van God denk komt in zijn naam naar voren, maar wat hij besloten heeft en wat hij doet. Hij is de heilige die zich uitsluitend op zijn manier, via zijn weg openbaart. Je kunt geen kennis van God tot je nemen, je moet het ontvangen; het moet je gegeven worden. God moet zijn naam op onze lippen leggen en dat doet hij graag; het is zijn voornemen om contact met mensen te maken door met hen op te trekken. Hij kiest voor mensen en zondert zichzelf af om met ons mee te kunnen leven. Je zult het merken als je vertrouwen in hem toeneemt. In de kleinste dingen van alledag mag je ontdekken: “Hij was erbij!” En dan zeg je: “Wonderlijk zoals u mij kent, het gaat mijn begrip te boven” (Ps. 139).

Met zijn naam komt God naast mensen staan. Dat is zijn eer, zijn heerlijkheid. Hij is geen onpersoonlijke macht, geen oerkracht of natuurgod. Hij is ook geen onbewogen rechter of veeleisende werkgever. Hij is met ‘Ik ben die Ik ben’ geen ongenaakbaar, afstandelijk wezen, maar juist warm, bewogen, meelevend: ‘Ik ben er voor jou, voor jullie.’ Dat wil de naam tot uitdrukking brengen. God is niet zozeer te vinden in de natuur (ook al is hij de schepper van de natuur) of in filosofische redeneringen (al valt er veel over hem te denken), statisch, boven alle dingen verheven, en ook niet in allerlei wetten en voorschriften, maar veel meer in het doen en laten van onze dagelijkse beslommeringen, in onze passies, onze omgang met elkaar, omdat hij vooral met mensen wil meeleven. Hij is zelf mens geworden (‘maar een mens’) – Jezus Christus, die al het onmenselijke aan de kaak stelde. Jezus kwam om ons uit ons geïsoleerde slavenbestaan te leiden. Hij wil ons uit de dwangarbeid van de zonde halen, uit de spiraal van zelfzucht en onderlinge competitie en frustraties die daarop volgen, om ons te brengen waar we thuishoren: in Gods koninkrijk, waar mensen één met elkaar kunnen zijn, omdat God één met hen is. Hij is degene die er zal zijn – voor ons. Kijk maar wat Gods naam te zeggen heeft: ‘De HEER, je God, zal in je midden zijn, hij is de held die je bevrijdt. Hij zal vol blijdschap zijn, verheugd over jou, in zijn liefde zal hij zwijgen, in zijn vreugde zal hij over je jubelen’ (Sef. 3:17). Die naam werkt aanstekelijk, daar word je warm van, daar wil je op ingaan en in opgaan!

Je mag hem aanspreken
Omdat God een naam heeft blijft hij niet naamloos op een afstand. Er is contact mogelijk, maar hij is wel de initiatiefnemer, hij bepaalt wat dat contact inhoudt en hoe je daartoe kunt komen. Eerst zul je hem moeten vertrouwen, dan pas leer je hem kennen. Eerst zul je in moeten gaan op zijn naam – ‘Ik zal er voor je zijn zoals ik er voor je zal zijn… mág ik?’ – dan ontdek je wat dat werkelijk inhoudt in de praktijk van het dagelijks leven. Je kunt op zondag in de kerk zitten en op maandag vergeten zijn dat hij er zal zijn volgens zijn eigen voorwaarden. Als je geen ruimte voor hem maakt, zal hij op afstand blijven. Maar leer je buigen voor Gods naam en zeg je: “Hij mag er zijn zoals hij wil, hij mag mij kennen”, dan ontdek je zijn actieve aanwezigheid in het leven van alledag. Plotseling kun je verrast worden door de betekenis van zijn naam. Je leeft je dag en als je terugkijkt roep je verbaasd uit: ‘Ja, hij was erbij!’
De naam helpt je om een realist te zijn. Hij helpt je om je te concentreren op de dagelijkse werkelijkheid, en niet weg te zinken in het verleden of je op te laten jutten door de toekomst. De naam helpt je om iedere dag volop te leven en de tijd te benutten, verankerd in de zekerheid die het verleden biedt en gericht op een hoopvolle toekomst. Hij is er toch bij? Vertrouwen in de naam geeft daarom zekerheid en hoop. De naam geeft zekerheid, want hij grijpt terug op de herinnering: God was erbij in bijbeltijden. Hij was erbij toen vorige generaties met hem optrokken. Hij was erbij, ook in mijn leven, van mijn geboorte af aan. Je staat middenin het leven met deze zekerheid. En de naam geeft hoop, want hij biedt ook uitzicht op de toekomst: hij zal er morgen ook nog bij zijn. God de Vader heeft alles in handen, alles laat hij meewerken ten goede, het hele wereldgebeuren, en ook mijn persoonlijke toekomst. Je staat middenin het leven met deze hoop. Vertrouwen in de naam is dus de beste manier om stevig in de werkelijkheid van het hier en nu te staan, zonder het verleden te veronachtzamen of de toekomst te negeren. Je kunt je concentreren op vandaag in de volle overtuiging dat hij er is, want hij was er en hij zal er zijn. Daarom groet Johannes de zeven gemeenten in moeilijke dagen met de woorden: ‘Genade zij u en vrede van hem die is, die was en die komt’ (Op. 1:4).

De naam vraagt om een reactie
Wat héb je aan zijn naam? Een slavenvolk stelt die vraag. De Israëlieten krijgen antwoord, gaandeweg. Letterlijk: onderweg. Want eerst moeten ze met die naam op weg gaan, Egypte uit, de Rode Zee door, de woestijn in, voordat ze de betekenis ervan aan den lijve gaan ervaren. Het is de naam die hen bevrijdt uit een zinloos leven met een duister verleden en een even duistere toekomst. God is erbij – dat hebben ze gemerkt, want ze zijn uit Egypte geleid en op de plaats terechtgekomen waar ze zichzelf mogen zijn, in het beloofde land. Ze hebben de betekenis ervaren, samen. Daarom is de naam de trots van de gemeenschap: ‘Ik zal uw naam bekendmaken, u loven in de kring van mijn volk’ (Ps. 22:23). De naam wordt bezongen en bejubeld. ‘Loof, dienaars van de HEER, loof de naam van de HEER. De naam van de HEER zij geprezen van nu aan tot in eeuwigheid. Van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat, zij geloofd de naam van de HEER’ (Ps. 113:1-3). Het Doortochtslied uit Exodus 15, de liederen van Mozes, Debora, Hanna, David, Maria – allemaal bezingen zij Gods aanwezigheid in de geschiedenis en tegelijkertijd bieden hun liederen een venster op de toekomst, terwijl zij hier en nu kunnen zingen (en wat zing ik graag mee): ‘Ja, hij is er!’
Jezus heeft definitief duidelijk gemaakt wie God is en wat Gods naam inhoudt (Joh. 17:26). Hij heeft ons geleerd hoe we God mogen noemen. Hoe zal Hij er voor ons zijn? Als onze Vader. Daarom bidden we: ‘Onze Vader in de hemel, laat uw naam geheiligd worden’  (Mat. 6:9).

Conclusie: Gods naam is Gods ‘Ja!’
Laat één ding duidelijk zijn: Gods naam is zijn onvoorwaardelijke inzet, zijn absolute betrokkenheid, zijn zelfverplichting om betrokken te zijn bij mensen. Daar draait het in de bijbel om. Gods naam is zijn onvoorwaardelijke: ‘Ja! Ik zal zijn: Ik zal er zijn, en dat zul je merken ook; heb vertrouwen in mijn naam’. Zó zegt de bijbel het, telkens weer. En wat zeg ik? Waar draait het bij mij om in mijn leven? Niet ons, HEER, niet ons, geef uw naam alle eer…’ (Ps. 115:1) ‘Ik’ moet iets minder vaak klinken – Gods naam des te meer!

Willem de Vink