Gezondheid en genezing

Is God geïnteresseerd in onze gezondheid? Nou en of! Johannes schrijft: ‘Geliefde, ik bid dat het u in alle opzichten goed gaat en dat u gezond bent, zoals het uw ziel goed gaat’ (3 Joh. 2). En Paulus: ‘Moge de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen, en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus. Hij die u roept is trouw en doet zijn belofte gestand’ (1 Tess. 2:23-24). En Jakobus: ‘Het gelovige gebed zal de zieke redden, en de Heer zal hem laten opstaan’ (Jak. 5:15). De eerste keer dat God zich aan zijn complete volk in de woestijn voorstelde was als heelmeester: “Ik, de HEER, ben het die jullie geneest” (Ex. 15:26). En Jezus ‘trok rond door het land als weldoener en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond hem bij’ (Hand. 10:38).

‘De Zoon van God is gekomen om de daden van de duivel teniet te doen.’
(1 Johannes 3:8)

Het past bij Gods almacht om te genezen, maar ook bij zijn heiligheid, waarin hij zich van al het kwaad afkeert en zich honderd procent naar mensen richt. God is liefde, zegt de bijbel. Hij heeft zijn goedheid en genade bewezen door Jezus te geven, die stierf voor de zonde én alle gevolgen, ziekte incluis. Wij moeten ons daarom niet laten intimideren door de wereld of ons laten ontmoedigen door onze eigen twijfelachtigheid. ‘Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest die van God komt, opdat we zouden weten wat God ons in zijn goedheid heeft geschonken’ (1 Kor. 2:12).

Gods gezichtspunt
Praten over ziekte en genezing is altijd spannend en riskant. Spannend omdat iedereen met ziekte te maken heeft en niets liever wil dan dat er genezing optreedt. Riskant omdat er tal van voorbeelden zijn waarbij genezing uitbleef, ook nadat er vurig werd gebeden. Jawel, er zijn voorbeelden van wonderen, maar die worden meestal gezien als incidentele ingrepen van God en niet als een bereikbare mogelijkheid waar je als christen aanspraak op mag maken. Als onze ervaring ons vertrekpunt en onze limiet zou zijn, zouden we niet al te hoopvol gestemd zijn. Toch willen we ons niet laten leiden door wat we zien, maar door het Woord van God. We willen God kennen zoals hij zichzelf presenteert in de bijbel en zoals dat bevestigd wordt in ons hart door zijn Geest. Want ons geloof moet niet op menselijke wijsheid steunen, maar op de kracht van God, schrijft Paulus. ‘Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefhebben. God heeft ons dit geopenbaard door de Geest, want de Geest doorgrondt alles, ook de diepten van God’ (1 Kor. 2:5, 9, 10). Vandaar dat deze studie over gezondheid en genezing niet begint bij de dingen die wij op dit moment zien, maar bij Gods realiteit: de overwinning van onze Heer Jezus Christus.

We willen ons onderwerp om te beginnen bekijken vanuit het perspectief van Gods plan met mensen. Toen God de mens schiep, zag hij dat het zeer goed was (Gen. 1:31). De mens had het in alle opzichten geweldig: er was rust, overvloed, gezondheid en geen zonde. Zo wilde God dat. Die situatie veranderde toen de duivel er in slaagde de mens tot zonde te verleiden. Jezus noemt de duivel de mensenmoordenaar vanaf het begin (Joh. 8:44). De gevolgen zijn bekend: de dood deed zijn intrede en als gevolg daarvan werd ziekte deel van ons sterfelijke bestaan. Uit de wordingsgeschiedenis van de mens weten we dus dat ziekte niet bij God maar bij de duivel vandaan komt. Het is een gevolg van de zonde en absoluut niet door God gewenst. Ziekte maakt deel uit van de vloek die de zonde veroorzaakt heeft. Om die reden liet God in de tijd van het Oude Testament ziekte toe als middel tegen zijn vijanden (zoals tegen de Egyptenaren tijdens het optreden van Mozes). Voor zijn volk was er juist gezondheid en voorspoed; tenminste, wanneer het God volgde. Dat was tegelijkertijd een enorm getuigenis voor de omringende volken. Dit blijkt bijvoorbeeld uit Exodus 15:26: ‘Als jullie de woorden van de HEER, jullie God, ter harte nemen, als jullie doen wat goed is in zijn ogen en al zijn geboden en wetten gehoorzamen, zal ik jullie met geen van de kwalen treffen waarmee ik Egypte heb gestraft. Ik, de HEER, ben het die jullie geneest.’

In de Hebreeuwse tekst openbaart God zich in dit bijbelgedeelte als ‘JHWH Rophè’, letterlijk: ‘De geneesheer’ of ‘de HEER die geneest’. Israël ondervond aan den lijve dat God een hekel heeft aan ziekte toen hij bitter water gezond maakte nadat Mozes er een stuk hout in had gegooid. David getuigt daar later van, als hij in Psalm 103:1-3 schrijft: ‘Prijs, mijn hart, zijn heilige naam. Prijs de HEER, mijn ziel, vergeet niet één van zijn weldaden. Hij vergeeft u alle schuld, hij geneest al uw kwalen…’ De profeten voorspelden dat er een tijd zal komen dat God definitief met zonde en ziekte zal afrekenen, namelijk wanneer de Messias zal komen. Bijvoorbeeld Jesaja in hoofdstuk 53:4-5: ‘Hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam. Wij echter zagen hem als een verstoteling, door God geslagen en vernederd. Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken. Voor ons welzijn werd hij gestraft, zijn striemen brachten ons genezing.’ We zullen zien dat deze profetie 500 jaar later wordt aangehaald, maar dan om te vertellen dat hij in vervulling is gegaan. God heeft genezing gebracht!

Jezus de geneesheer
Toen Jezus aan zijn optreden begon, vertelde hij direct dat hij degene was waarover Jesaja sprak. In Lucas 4:18-19 betrekt hij de woorden van Jesaja 61:1-2 op zichzelf: “De Geest van de Heer rust op mij, want hij heeft mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft hij mij gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, om een genadejaar van de Heer uit te roepen.” Jezus maakt vanaf de start van zijn optreden duidelijk dat hij de volmacht heeft om in te grijpen in de wereld die gebukt gaat onder zonde en ziekte. Hij presenteert manifestaties van overwinning over de duisternis die zijn prediking van het koninkrijk van God onderstrepen. Gods heerschappij wordt zichtbaar in genezing en bevrijding. Matteüs vat aan het begin van zijn evangelie Jezus’ werk dan ook als volgt samen (4:23-25): ‘Hij trok rond in heel Galilea; hij gaf er onderricht in de synagogen, verkondigde het goede nieuws van het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk.’

Jezus’ optreden bestond dus uit drie elementen: verkondiging, onderricht en genezing. Zijn proclamatie van het goede nieuws van Gods koninkrijk werd ondersteund door onderricht en genezing: Jezus is de leermeester én de heelmeester. Na het onderricht (de bergrede in de hoofdstukken 5-7) beschrijft Matteüs dan ook tien genezingen. Ten eerste de lepralijder, die buiten de samenleving stond, maar dankzij zijn genezing in de gemeenschap wordt opgenomen (8:2), de verlamde slaaf van een centurio, iemand die voor de Joden als heiden gold (8:5), de schoonmoeder van Petrus, een bekende dus (8:14), twee bezetenen, heidenen die buitengesloten waren, die bevrijd worden van demonen (8:28), een verlamde (9:2), een bloedvloeiende vrouw (9:20), het dode dochtertje van de godsdienstleider Jaïrus (9:23), twee blinden (9:27) en een doofstomme man (9:32), negen in totaal. Nummer tien is een speciaal geval, namelijk de evangelieschrijver Matteüs zelf, die genezen wordt van geldzucht en van wie Jezus zegt: “Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel” (9:9-12). Middenin de beschrijving van Jezus’ optreden verwijst Matteüs naar de vervulling van de profetie die we al eerder aanhaalden (Matt. 8:16-17): ‘Bij het vallen van de avond brachten ze vele bezetenen bij hem. Met een enkel bevel dreef hij de geesten uit, en allen die ziek waren genas hij, opdat in vervulling ging wat gezegd is door de profeet Jesaja: Hij was het die onze ziekten wegnam en onze kwalen op zich heeft genomen’. Aan het slot van deze reeks genezingen geeft Matteüs opnieuw een samenvatting van de aard van Jezus’ optreden: ‘Jezus trok rond langs alle steden en dorpen, gaf er onderricht in de synagogen, verkondigde het goede nieuws over het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal’ (Matt. 9:35). Vervolgens legt hij het motief bloot waar vanuit Jezus werkte: ‘Toen hij de mensenmenigte zag, voelde hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hopeloos uitzagen, als schapen zonder herder.’ Daarna stuurt Jezus zijn volgelingen eropuit om met zijn volmacht hetzelfde te doen: het evangelie van het koninkrijk verkondigen, onderrichten én genezen.

Jezus’ volgelingen doen hetzelfde
Zoals gezegd, stuurt Jezus zijn discipelen eropuit om hetzelfde te doen als hij: ‘Daarop riep hij zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun macht om onreine geesten uit te drijven en iedere ziekte en elke kwaal te genezen’ (Matt. 10:1). Die taak kreeg een definitief vervolg, die voortduurt tot op de dag van vandaag. Vlak voordat Jezus teruggaat naar de Vader, onderstreept hij dat dit geen tijdelijke opdracht is, maar de basisuitrusting waarmee God zijn kinderen op weg stuurt. In Marcus 16:15-18 zegt hij: “Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend. Wie gelooft en gedoopt is, zal worden gered, maar wie niet gelooft, zal worden veroordeeld. Degenen die tot geloof zijn gekomen, zullen herkenbaar zijn aan de volgende tekenen: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen spreken in onbekende talen, met hun handen zullen ze slangen oppakken en als ze een dodelijk gif drinken zal dat hun niet deren, en ze zullen zieken weer gezond maken door hun de handen op te leggen.”

In het bijbelboek Handelingen lezen we wat de gevolgen zijn van dit optreden van Jezus’ volgelingen in zijn Geest en met zijn volmacht. De gemeente treedt op met dezelfde drieslag die Jezus maakte: het koninkrijk van God wordt verkondigd, het onderricht van Jezus wordt voortgezet, zieken worden genezen. Zo wordt in de Nieuwtestamentische gemeente de heerschappij van God niet alleen verkondigd en onderwezen, maar ook gedemonstreerd, precies volgens Jezus’ bedoeling. Hieruit blijkt hoe betrouwbaar en consistent God is. In het paradijs wil hij al geen ziekte. Aan zijn volk openbaart hij zich als de geneesheer. In de Here Jezus worden zijn beloften vervuld en door de heilige Geest mogen wij delen in zijn volmaakte offer, want Hebreeën 13:8 zegt: ‘Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.’

Christus’ triomf
Jezus heeft Gods koninkrijk binnen bereik gebracht. Met zijn komst (als de laatste Adam, 1 Kor. 15:45) werd het probleem van de zonde definitief opgelost. ‘God heeft zich ontdaan van de machten en krachten, hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en in Christus over hen getriomfeerd’ (Kol. 2:15). Wij zijn door hem bevrijd uit de macht van de duisternis en ontvangen eeuwig leven. ‘Maar u bent nu verlost van de zonde en dienaars van God geworden. Het gevolg daarvan is dat u nu bij God hoort en eeuwig leven krijgt’ (Rom. 6:22).
Eeuwig leven (Grieks: zoë) is niet alleen een leven zonder einde, maar ook een kwaliteit van leven: zonder ziekte en in voorspoed. Dat leven kwam Jezus ons brengen. Jezus wijst de duivel aan als de oorzaak van kwaad, ellende en ziekte en zichzelf als de oplossing daarvoor: “De dief komt alleen om te roven, te slachten en te vernietigen, maar ik ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid” (Joh. 10:10).

Jezus geeft ons dus volheid van leven, hoewel we dat niet verdiend hebben en ook nooit zullen kunnen verdienen, hoe goed we er ons best ook voor doen. Het is een genadegift. Maar geen goedkope genade; het kostte God zijn Zoon. God is rechtvaardig. Hij moest onze zonden daarom ook rechtvaardig straffen. Dat heeft hij gedaan door zijn Zoon in onze plaats zonde te laten worden, zodat wij in zijn plaats rechtvaardig zouden worden (2 Kor. 5:21). De bijbel laat er geen misverstand over bestaan dat Jezus zowel voor onze zonden als voor onze ziekten stierf. Zoals een aardse vader graag de ziekte van een kind wil overnemen, zo deed onze hemelse Vader dat, aan het kruis. Het werd een complete ruil. Jezus ontving wat hij niet bezat: onze schuld, zonde en ziekte, zodat wij zouden ontvangen wat wij niet bezaten: zijn rechtvaardigheid en leven. God wilde die ruil, omdat hij het goede voor zijn kinderen wil.

Behoud is ook genezing
Toen Jezus uitriep (Joh. 19:30) “Het is volbracht”, betekende dat letterlijk ook: ‘het is betaald’. Jezus heeft betaald voor onze zonden en voor de gevolgen daarvan. Door hem zijn wij behouden. Om te ontdekken wat de geweldige consequenties van zijn overwinning zijn, is het belangrijk om de rijkdom van het woord ‘behoud’ te begrijpen. Paulus schrijft in Romeinen 1:16: ‘Voor dit evangelie schaam ik mij niet, want het is Gods reddende kracht (in andere vertalingen: de kracht van God tot behoud) voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken.’ Het evangelie is goed nieuws! Waarom is het goed? Omdat het mensen behoudt. Behoud komt van het Griekse woord sozo. In onze oren klinkt behouden worden als ‘niet verloren gaan’. Dat is ook zeker een belangrijke betekenis. Maar sozo betekent meer. Letterlijk betekent het zowel redding, verlossing en bevrijding als genezing en heelmaking. Het is een woord dat de complete verlossing van de mens op alle levensterreinen aanduidt. Als Jezus zegt dat hij gekomen is om ons volheid van leven te geven, bedoelt hij een compleet en volmaakt leven.

Dit woord behoud wordt soms gebruikt in specifieke situaties van genezing. Bijvoorbeeld in Handelingen 4, waar Petrus en Johannes door de Joodse leiders worden ondervraagd nadat ze een verlamde hadden genezen. Ze vragen hen (vers 7): “Door welke kracht of in wiens naam hebt u dit gedaan?” Waarop Petrus uitlegt dat dit door de naam van Jezus is gebeurd en hij vervolgt zijn verklaring over de genezing met (vers 12): “En de behoudenis (sozo) is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden (sozo) worden.” Hier blijkt dus dat ‘behoud’ niet alleen de vergeving maar ook de genezing omvat die Jezus voor ons heeft verworven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Petrus in zijn brief de profetische woorden uit Jesaja 53 als vaststaand feit presenteert (1 Petr. 2:24): ‘Jezus zelf heeft onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; en door zijn striemen bent u genezen.’

Teksten waarin het over ‘behoud’ of ‘redding’ gaat bedoelen dus dit volledige begrip. Bijvoorbeeld Hebreeën 7:25, waar Jezus als onze grote Hogepriester wordt beschreven, door wie wij God vrijmoedig mogen naderen: ‘Zo kan hij ieder die door hem tot God komt volkomen redden, omdat hij voor altijd leeft en zo voor hen kan pleiten.’ Jezus kan dus (ook) volkomen genezen wie door hem tot God komt. Of Romeinen 5:10: ‘Werden we in de tijd dat we nog Gods vijanden waren al met hem verzoend door de dood van zijn Zoon, des te zekerder is het dat we, nu we met hem zijn verzoend, worden gered door diens leven.’ En 1 Timoteüs 4:16: ‘Neem je in acht, houd je aan de leer en blijf dat doen; dan red je zowel jezelf als hen die naar je luisteren’ (nogmaals, redden, sozo, houdt dus ook in: genezen).

De sleutel tot genezing
Het staat dus vast dat wij in Christus niet alleen vergeving voor onze zonden maar ook genezing hebben ontvangen. Er is geen enkele bijbelse aanleiding om de vergeving al wel te aanvaarden en de genezing te plaatsen na Jezus’ wederkomst. Dat is een dualisme gebaseerd op de praktijk van onze beperkte ervaring en niet op de praktijk van Gods Woord.
Het is waar dat we deze realiteit van God helaas maar beperkt zien functioneren. Maar het is onterecht om de realiteit zoals die zich aandient te laten voor wat ze is wanneer we Gods Woord serieus willen nemen. De duivel kan ons lastig vallen of misleiden, maar als God ons door zijn Woord aanspreekt hebben we uitsluitend met hem te maken. Geloven we wat hij zegt? Daarmee zijn we aangekomen bij het kanaal waardoor de genezing die we in Christus ontvangen hebben ook daadwerkelijk zichtbaar kan worden: door geloof. Jezus zegt (Matt. 21:21-22): “Ik verzeker jullie: als jullie geloven zonder te twijfelen, zul je niet alleen teweeg kunnen brengen wat er gebeurde met de vijgenboom, maar zul je zelfs tegen die berg kunnen zeggen: ‘Kom van je plaats en stort je in zee,’ en het zal gebeuren. Alles waarom jullie in je gebeden vragen zullen jullie krijgen, als je maar gelooft.”

Het is goed om hier een misverstand uit de weg te ruimen. Bij ‘geloof’ denken wij al gauw aan iets dat we in onszelf moeten vinden. Maar Jezus zegt juist (Marc. 11:22): “Heb geloof in God.” Het gaat hier dus niet om een gevoel of zekerheid in onszelf maar om het besef van wie God is en wat hij in Jezus voor ons heeft gedaan. Geloof komt van God: hij wekt het in ons op als we ons richten op Jezus. Door Gods waarheid in Jezus te zien gaat geloof (bijvoorbeeld in genezing) vanzelf functioneren.
Doordat het begrip ‘geloof’ rond genezing vaak verkeerd gebruikt wordt, roept het nogal eens weerstand op. Christenen denken al gauw aan pijnlijke situaties waarin iemand verweten wordt te weinig geloof te hebben doordat genezing na gebed uitbleef. Dat is allerminst Gods weg en bedoeling. Inderdaad, hij roept ons op om de genezing die hij voor ons aan het kruis heeft gekocht in geloof te aanvaarden. Maar hij vraagt geen prestatie van onze kant.
Dat we genezing vaak niet zien functioneren heeft dus te maken met ongeloof: dat we niet weten wat ons in Christus is geschonken en dat we de praktijk als maatstaf hanteren en zelfs geen genezing verwachten. Maar onze maatstaf is het volmaakte offer van het Lam, dat onze Hogepriester is. In hem staan wij volmaakt voor God en hebben zowel veroordeling als ziekte geen recht meer op ons leven. Wij hoeven onszelf niet meer te kwalificeren voor genezing, want Christus is in onze plaats gekwalificeerd; hij heeft aan Gods eis voldaan!

Manieren waarop God geneest
Er zijn verschillende middelen die God gebruikt om genezing die hij aan het kruis heeft bewerkstelligd in ons leven te laten doorbreken. Denk aan de verkondiging van het Woord die openbaring van de waarheid teweegbrengt, het avondmaal als aanschouwelijke voorstelling, het werk van de Geest in gaven van genezingen die aan verschillende mensen in de gemeente geschonken worden, het gebed van oudsten en vrienden.

1. Het Woord
De basis voor genezing is Gods Woord. Wanneer de waarheid over genezing wordt geopenbaard zullen mensen geloven en genezen. Daarom is het ook zo belangrijk om de bijbelse waarheid over genezing in de gemeente te onderwijzen en te belijden. Dit is de mooiste en meest complete weg van genezing, omdat bij goed onderwijs de complete mens wordt opgebouwd, waardoor genezing niet op zichzelf komt te staan. In Spreuken 4 vers 20-22 wordt Gods woord een medicijn voor het lichaam genoemd. ‘Mijn zoon, heb aandacht voor mijn woorden, geef aan mijn uitspraken gehoor. Houd ze steeds voor ogen, bewaar ze in het diepste van je hart. Ze zijn het leven voor wie ze aanvaarden, sterken heel je lichaam als een medicijn.’ Als dat medicijn achterwege blijft en in de verkondiging genezing wordt overgeslagen kan ziekte welig blijven tieren.
Er zijn voorbeelden van mensen die door bijbels onderwijs over genezing (plotsklaps of langzamerhand) gezond werden. Ook zijn er voorbeelden van mensen die teksten over genezing (bijv. Jes. 53:4 en 5) gedurende enige tijd dagelijks beleden en toen merkten dat de genezing in hun lichaam zichtbaar werd. De kracht van Gods Woord is enorm en onwrikbaar. Zelfs Jezus pareerde de verzoekingen van de duivel (Matt. 4) niet met zijn identiteit (‘Ik ben Gods geliefde Zoon’) maar met de bijbelse waarheid (‘Er staat geschreven…’).

2. Avondmaal
Doordat wij deelhebben aan Jezus’ opstanding, is het avondmaal een niet te onderschatten middel als belijdenis van ons geloof. Jezus stelde het avondmaal persoonlijk in door het brood aan te reiken met de woorden: “Neem, eet, dit is mijn lichaam,” en de beker met wijn: “Drink allen hieruit, dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden” (Matt.26:26-30). Daarmee werd het een vast en krachtig onderdeel van het gemeenteleven, zoals we kunnen lezen in Handelingen 2:42: ‘Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed’. Zij braken het brood dagelijks aan huis, lezen we (vers 46). In deze atmosfeer gebeurden tekenen en wonderen, die iedereen met ontzag vervulden (vers 43).
Tijdens het avondmaal denken we aan twee dingen. Het bloed van Jezus, dat tijdens het avondmaal gebruikt wordt, staat voor de vergeving van onze zonden (Kol. 1:14, Ef. 1:7). Er wordt tijdens het avondmaal vaak aan gerefereerd dat we het bloed van het nieuwe verbond drinken, waar we geweldig dankbaar voor mogen zijn. Maar wat betekent het brood? Het brood staat voor onze genezing, want het representeert Jezus’ lichaam. We weten uit de evangeliën dat het aanraken van Jezus’ lichaam genezing bracht. Jesaja schrijft dat de striemen in zijn lichaam ons genezing hebben gebracht (Jes. 53:5). ‘Door zijn toedoen slaagde wat God wilde’ (53:10). Tijdens het avondmaal beleven we in brood en wijn wat in Psalm 103 vers 2 staat: ‘Prijs de HEER mijn ziel, vergeet niet één van zijn weldaden. Hij vergeeft u alle schuld, hij geneest al uw kwalen’. Telkens als we eten en drinken, schrijft Paulus (in 1 Kor. 11:26), proclameren we Jezus’ dood, totdat hij komt. Dat impliceert alles wat hij met zijn dood bewerkstelligd heeft, inclusief genezing.
Het omgekeerde is ook waar. In Korinte leidde misstanden tijdens het avondmaal tot ziekte. Sommigen maakten van het avondmaal voor zichzelf een braspartij, terwijl zij anderen niets gunden. Hierdoor kon het genezende werk van het avondmaal geen doorgang vinden. Paulus waarschuwt in 1 Korintiërs 11:30: ‘Daarom zijn er onder u veel zwakke en zieke mensen en zijn er al velen onder u gestorven.’ In feite doet een gemeente zichzelf tekort wanneer zij de kracht van het avondmaal onderschat. Het lichaam van Christus werd namelijk verbroken tot herstel van alles wat in ons lichaam was misgegaan en met zijn bloed betaalde hij voor al onze zonden en nam hij alle schadelijke gevolgen daarvan weg. Petrus citeert voor de Nieuwtestamentische gemeente (in 1 Petr. 2:24) wat Jesaja profeteerde, namelijk dat de Messias in zijn lichaam onze zonden en ziekten op zich nam. Jezus hing doodziek aan het kruis, in onze plaats. Wanneer wij avondmaal vieren en dat erkennen, belijden we ook de gezondheid die wij in zijn plaats hebben ontvangen.

3. Gaven van genezing
God heeft aan de gemeente gaven van genezingen gegeven; mensen die (als antwoord op gebeden) namens God genezing uitspreken. In 1 Korintiërs 12: 7, 9 lezen we: ‘In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk, ten bate van de gemeente. De een ontvangt van de Geest een groot geloof, de ander de gave om te genezen.’
Waar de kracht van het Woord altijd en door iedereen kan worden ervaren en toegepast (ook m.b.t. genezing), gaat het hier om door de Geest geleide momenten in de gemeente van Christus. De heilige Geest leidt in een samenkomst van gelovigen (groot of klein) tot specifieke gebedsverhoring en schakelt anderen in als transportkanaal van zijn genezing door hen gaven toe te vertrouwen van onderscheid, genezing, bevrijding. Sommigen krijgen van hem daartoe zelfs een specifieke taak, die in de gemeente herkend en bevestigd kan worden.
Ook veel buitenkerkelijke genezingssamenkomsten zijn vooral gebaseerd op deze vorm, waarbij een gebedsgenezer (met of zonder team) het werk doet. Ze zijn daarmee een aanvulling op de gemeente, maar mogen niet het werk dat God via de gemeente wil verrichten overnemen. God wil namelijk dat al zijn beloften (ook die van genezing) via de weg van zijn Woord en het werk van zijn Geest in de gemeente worden ontvangen. Er is een tijd geweest dat veel gebedsgenezing buiten de gemeente werd uitgeoefend, maar we zien dat Gods Geest in deze tijd wereldwijd en ook in ons land steeds meer gemeenten zelf aan het toerusten is voor deze taak. Hij geeft de gaven ten bate van de gemeente.

4. Oudsten in de gemeente
De praktijk van genezing hoort thuis in de gemeente (net als het bevrijden uit zonde) omdat genezing alles te maken heeft met gezonde relaties. Het gaat in de gemeente om de totale mens in gemeenschap met broeders en zusters. Hier beoefenen we een gezond leven onder het Woord van God en geïnspireerd door de heilige Geest, waarbij genezing alles te maken heeft met goede onderlinge verhoudingen. Jakobus schrijft in 5:14 en 15: ‘Laat iemand die ziek is de oudsten van de gemeente bij zich roepen; laten ze voor hem bidden en hem met olie zalven in de naam van de Heer. Het gelovige gebed zal de zieke redden, en de Heer zal hem laten opstaan. Wanneer hij gezondigd heeft, zal het hem vergeven worden.’ In het Nieuwe Testament wordt ziekte in de gemeente als een onwenselijke uitzondering gezien. Onderlinge zonde houdt ziekte in stand. Daarom werkt concrete zonde opruimen genezend en schrijft Jakobus (in 5:16): ‘Beken elkaar uw zonden en bid voor elkaar, dan zult u genezen. Want het gebed van een rechtvaardige is krachtig en mist zijn uitwerking niet.’
Bedenk wel dat het hier gaat om een situatie waarin de eerste drie genezingsmiddelen (bijbelse verkondiging over genezing, genezend gebruik van het avondmaal en ruimte voor gaven van genezingen) in de gemeente verondersteld worden. Wanneer christenen zich voor het eerst met genezing bezighouden, beginnen ze vaak bij Jakobus 5, met als gevolg dat het fundament (goed zicht op de waarheid) ontbreekt en er geloof in het ritueel in plaats van in God zelf ontstaat. Ziekenzalving is geheel bijbels, maar niet de eerste weg die God wijst. Het is de weg die we mogen gaan wanneer de hoofdweg en de parallelweg nog geen doorbraak geven. God laat hierin opnieuw zien hoe belangrijk hij het vindt dat zijn kinderen gezond zijn. Hij voorziet ons van allerlei middelen om zijn zegen te ontvangen.

5. Gelovige vrienden
Zoals gezegd, is geloof essentieel in het ontvangen van genezing. Maar iemand die ziek is, kan soms (vanwege de omstandigheden) niet geloven. Gelukkig kan het geloof van anderen zo iemand er bovenop helpen. We zien dat bijvoorbeeld in Matteüs 9:1-8, waar een paar mensen een verlamde vriend bij Jezus brengen. ‘Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: “Wees gerust, uw zonden worden u vergeven. Sta op, pak uw bed en ga naar huis.” En hij stond op en ging naar huis.’ Deze man werd genezen op grond van het geloof van zijn vrienden, die hem bij Jezus brachten. Dit is een enorme bemoediging voor een biddende gemeente. Want het gezamenlijke gebed van medegelovigen is zeker niet krachteloos. Vandaar ook dat er voorbeelden zijn van mensen voor wie ’s zondags in de dienst voorbede wordt gedaan en die dan daadwerkelijk hulp en genezing ontvangen.

De bijbel laat er dus geen onduidelijkheid over bestaan dat God zieke mensen wil genezen. We lezen verschillende keren dat de Here Jezus waar hij kwam alle zieken genas. Hij is daarin niet veranderd. God wil heel graag dat wij gezond zijn. Des te belangrijker is het daarom helder te krijgen wat volgens de bijbel oorzaken zijn van het uitblijven van genezing. De ideale voedingsbodem van zowel ongeloof als zonde is wetticisme. Zodra we onszelf of elkaar langs de meetlat van de wet leggen, voldoet niemand en verliezen we ons geloof in Gods genade. Het is dan ook niet zo vreemd dat Paulus bij het fundamenten leggen van het gemeenteleven daar in zijn brieven zo vaak en fel voor waarschuwt. Onze verlossing is volledig gebaseerd op Gods gerechtigheid, die hij ons heeft toegerekend. Wij hoeven niets meer te verdienen of met hem in orde te maken. Wij mogen gebruik maken van zijn volbrachte werk. Die waarheid wordt vaak (ook in ‘bijbelgetrouwe’ kringen) bestreden. De Farizeeën en schriftgeleerden wilden door de wet in acht te nemen hun heil verdienen. Nadat de discipelen zich tot discussie hadden laten verleiden (Marc. 9:14) en zo weer waren gaan twijfelen aan de macht van Jezus’ genade, konden ze die bezeten jongen niet bevrijden. Jezus verwijt hun dan ‘ongeloof’ (vers 19). Vandaar ook dat hij hen nadrukkelijk waarschuwt: ‘Wees terdege op je hoede voor de zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën’ (Matt. 16:6).
Een veelgebruikte wettische truc van de duivel is om ons met een gevoel van geestelijkheid op onszelf en niet op de Here Jezus terug te werpen. “God zal mij vast niet genezen, want ik ben zo zondig en ik heb zo weinig geloof…” Gelukkig dat God niet onze zonden en ons geloof in onze situatie, maar onze rechtvaardige positie in hem en ons vertrouwen in het volmaakte offer van Jezus als sleutel tot genezing heeft gegeven, zodat deze smoesjes bij goed onderwijs geen stand houden.

Genezing in de praktijk
Wanneer je een waarheid van God herontdekt, is het altijd even zoeken naar de juiste manier om die waarheid in je leven te integreren. In de gemeente is het niet anders. Enthousiasme over de genezing die God schenkt is prima en begrijpelijk, maar wijsheid is evengoed geboden. Anders kan er veel schade in de gemeente als lichaam van Christus ontstaan en dat is onwenselijk. Daarom een paar richtlijnen voor het omgaan met genezing in het gemeenteleven.

1. Gods Woord hoogachten
Belangrijker nog dan het aanvaarden van Gods waarheid over genezing is dat die waarheid door iedere christen daarna ook herkauwd en uitgediept wordt en een blijvende plaats krijgt in het gemeenteleven. Soms moeten we even op elkaar wachten voordat iedereen zover is. Paulus schrijft in zijn instructies in 1 Korintiërs 2:12: ‘Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest die van God komt, opdat we zouden weten wat God ons in zijn goedheid heeft geschonken.’
God wil heel graag zijn volledige genezingsperspectief laten zien en laten functioneren, maar hij geeft ons ook de tijd om dit met anderen te delen, zodat we op dezelfde lijn komen. Het liefst heeft hij (al kan dat niet altijd) dat iedereen instemt en bij de kudde blijft. Maar hij wil vooral dat er een goed bijbels fundament wordt gelegd, zodat het geloof van de gemeente niet gebaseerd is op een boekje, een studie of een voorganger, maar op God en op wat hij in zijn Woord openbaart.

2. Bewogenheid
Geen genezing zonder ontferming. Ook voor Jezus was bewogenheid de aansteker voor zijn genezende kracht. In Matteüs 9 lezen we dat hij het goede nieuws over het koninkrijk verkondigde en dat ondersteunde met onderricht en genezingen. Maar we lezen ook het motief van waaruit hij dit deed: ‘Toen hij de mensenmenigte zag, voelde hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder’ (Matt. 9:35-36). En in Matteüs 14:14 lezen we: ‘Toen hij uit de boot stapte en de grote menigte zag, voelde hij medelijden met hen en genas hun zieken.’
Liefdeloosheid en gebrek aan werkelijke gemeenschap zijn belangrijke oorzaken van een gebrek aan bewogenheid en dus van een gebrek aan kracht. Bij genezing is daarom (naast gebed om geloof in het volbrachte werk van Christus) gebed om een bewogen hart essentieel.

3. Moed
Wanneer je de boodschap dat we van God genezing hebben ontvangen gaat verkondigen en uitoefenen, word je onherroepelijk geconfronteerd met tegenstand. Daar moeten we op berekend zijn, zodat we niet verleid worden om kritiek onze agenda te laten bepalen. We moeten er ook niet met een boog omheen lopen. Het is noodzakelijk dat we moedig en waardig de koninklijke weg bewandelen door mensen in liefde te woord te staan en hen op Gods Woord te beproeven. Titus kreeg in dit verband van Paulus de volgende aanmoediging (2:11, 15): ‘Gods genade is openbaar geworden tot redding van alle mensen. Gebruik je gezag om dit te verkondigen, moedig aan en wijs terecht. Laat niemand op je neerkijken.’

4. Geduld
Paulus noemt zichzelf een kundig bouwmeester (1 Kor. 3:10). God heeft kundige bouwmeesters nodig om een goed fundament van de overwinning van Jezus te kunnen leggen. Bouwen kost tijd. Het integreren van Gods genezende liefde ook. Gelukkig heeft God ook tijd. Wij mogen in alle rust ontdekken wat wijsheid is. Niet om aan dit belangrijke thema af te doen, wel omdat rust Gods manier van werken is. Die rust mogen we van hem overnemen (Hebr. 4:11).
Verschillende brieven in het Nieuwe Testament beginnen met de zegen: ‘Genade zij u en vrede…’ Genade is alles wat God ons heeft gegeven in het offer van zijn Zoon (waaronder genezing). Vrede is de rust die dat in ons leven brengt. Wanneer verkondiging van de boodschap van genade (genezing) de vrede verstoort vanwege ons ongeduld of onze onwijsheid, belemmeren we het werk van de Geest. Dus: moedig rechtop blijven staan en volharden, maar niet gaan rennen; God werkt, wij rusten in zijn volbrachte werk.

Knellende vragen
Tot slot een paar antwoorden op veel voorkomende vragen en misverstanden rond het thema genezing.

Is genezing niet alleen geestelijk bedoeld; de rest komt na de wederkomst van Christus?
Dat is westers dualisme en geen bijbelse theologie. De profetie is vervuld, zoals we lezen in Matteüs 8:16 en 17: ‘Bij het vallen van de avond brachten ze vele bezetenen bij hem. Met een enkel bevel dreef hij de geesten uit, en allen die ziek waren genas hij, opdat in vervulling ging wat gezegd is door de profeet Jesaja: Hij was het die onze ziekten wegnam en onze kwalen op zich genomen heeft.’

Heeft God voor alle ziekten betaald?
In Matteüs 9:35 staat: ‘Waar hij ook kwam, genas hij iedere ziekte en elke kwaal.’ Johannes zegt in zijn evangelie (Joh. 3:16) dat iedereen die in hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven (zoë!) heeft. Wat is eeuwig leven? “Het eeuwige leven, dat is dat zij u kennen, de enige ware God, en hem die u gezonden hebt, Jezus Christus,” zegt Jezus in Johannes 17:3. Je ontvangt genezend zoë-leven wanneer je de ware God gaat leren kennen, die zich onder andere bekend maakt als… geneesheer!

In Betesda genas Jezus toch niet alle zieken? Hoe zit dat dan?
Het is een voorbeeld van ‘postmodern bijbellezen’ om Johannes 5 als ‘bewijs’ te gebruiken dat Jezus toch niet iedereen genas. Er zijn natuurlijk nog veel meer mensen die hij niet heeft genezen. Dat kwam eenvoudigweg doordat hij toen hij op aarde was lang niet overal geweest is. Bovendien blijkt steeds weer dat hij alle mensen genas die op hem af kwamen. Dat waren dus mensen die graag genezen wilden worden. Ze geloofden in hem en aanvaardden zo wat hij iedereen (ook hen) wilde geven. Johannes 5 vormt daarop een uitzondering, omdat Jezus daar zelf (‘ongevraagd’) in dat badhuis op iemand afstapt, mogelijk omdat hij met ontferming bewogen werd over de man die daar al 38 jaar volkomen kansloos leek te liggen. Wat precies de reden is dat Jezus juist hem uitkiest, wordt echter niet vermeld. Ook wordt niet vermeld dat die anderen (later) niet genezen werden. Blijkbaar is die vraag in dit gedeelte onbelangrijk. Deze geschiedenis kan daarom onmogelijk als ‘bewijs’ voor deze gedachte dienen, te meer omdat het tegendeel wel heel expliciet en zelfs meerdere keren wordt vermeld, bijvoorbeeld door Petrus in Handelingen 10:38: ‘Hij trok als weldoener door het land en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond hem bij. Wij zijn getuigen van alles wat hij gedaan heeft, in het land van de Joden en ook in Jeruzalem.’

Paulus was toch ziek, omdat hij een doorn in het vlees had?
Daarover bestaat een misverstand. In onze taal is ‘een doorn in het vlees’ een aanduiding voor ziekte geworden. Maar dat is niet de oorspronkelijke betekenis van die woorden. Die uitdrukking is namelijk ontleend aan Numeri 33:55, waar staat dat het volk Israël de bewoners van het beloofde land moesten verdrijven, anders ‘zullen ze tot stekels in je zij en tot dorens in je ogen worden’ (zie ook Ez. 28:24). Als schriftgeleerde kende Paulus de betekenis van deze gevleugelde uitspraak. Het gaat hier om mensen (aangezet door ‘een engel van Satan’) die zich vijandig opstellen tegenover God en zijn volk; waarschijnlijk Joden die onder de wet leefden en die Paulus’ boodschap van genade steeds weer met ‘de wet’ bestookten (net zoals ze dat deden tegenover Jezus). Vandaar Gods oplossing voor dit probleem: ‘Je hebt niet meer dan mijn genade nodig’. Paulus bad in eerste instantie dat God de engel van Satan die hem kwelde en zijn boodschap frustreerde (via de persoon die hem aanviel) weg zou nemen, maar leerde vervolgens dat God dit toestond om hem afhankelijk en nederig te houden. Daarom concludeert hij dat hij in zwakheid sterk is: ‘Omdat Christus mij kracht schenkt, schep ik vreugde in mijn zwakheid: in beledigingen, nood, vervolging en ellende’. Merk op dat hij het hier dus zelf ook niet heeft over een of andere ziekte (2 Kor. 12:7-10).

Maar hoe zit het dan met het lijden dat wij in deze wereld meemaken?
Dat is zonder meer een realiteit. Daarom zien we ook zo uit naar de wederkomst van de Here Jezus. Want al zijn wij verlost, om ons heen zucht de schepping. Wij zijn geen burgers van deze (zieke, verdorven) wereld, maar (gezonde, vergeven) hemelburgers (Fil. 3:20). Als hemelburger leef je natuurlijk het liefst thuis, in een volmaakte omgeving, zonder pijn en ellende om Christus’ wil en zelfs zonder dat je nog hoeft te geloven, omdat je alles direct kunt zien.

En wat moet je in dit kader dan met ‘de vervolging om Christus’ wil’?
Goed lezen wat de bijbel daarover zegt en wat niet. De Here Jezus zei tegen vier van zijn discipelen (dat was geen algemene uitspraak): “Wat jullie zelf betreft: pas goed op. Jullie zullen voor het gerecht worden gesleept en in synagogen worden gegeseld, en jullie zullen voor gouverneurs en koningen moeten verschijnen om voor hen van mij te getuigen.” (Marc. 13:9). Tegen de gemeente zegt hij: “Wees niet bang voor wat u nog te wachten staat. Sommigen van u zullen door de duivel in de gevangenis worden gegooid, en zo op de proef worden gesteld; tien dagen lang zult u het zwaar te verduren hebben” (Op. 2:10). Het merendeel van gemeenteleden zal niet met deze beproeving te maken krijgen.
Met een ander soort vervolging krijgen wel alle gelovigen te maken, naarmate zij groeien in de genade van God. Daarover zegt Paulus in 2 Timotheüs 3:12: “Trouwens, allen, die in Christus Jezus godsvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden.” Let op: de vervolging waar het in dit verband om gaat wordt niet veroorzaakt door ongelovigen, maar door religieuze mensen, zogenaamde gelovigen, dwaalleraars die de gelovigen die van genade leven weer onder de wet willen brengen. Over hen zegt Jezus (Matt. 16:6): “Wees terdege op je hoede voor de zuurdesem van de Farizeeën en de Sadduceeën” en (Joh. 15:20): “Een slaaf is niet meer dan zijn meester. Ze hebben mij vervolgd, dus zullen ze ook jullie vervolgen.” Het is niet voor niets dat zowel Jezus als Paulus (met zijn doorn in het vlees) vooral tegenstand ondervonden van wettische gelovigen en nauwelijks van de ongelovigen. Ze waarschuwen dan ook vooral voor hen.

Als gezondheid een gevolg is van je rechtvaardige positie in Christus, hoe kan het dan dat hij ook ongelovigen genas?
Dat zijn twee verschillende dingen. Gelovigen zijn gezond op basis van hun rechtvaardige positie. Ongelovigen ontvangen genezing met als doel dat ze ook de andere elementen van ‘behoud’ (vergeving, verlossing, bevrijding) gaan zien en zullen aanvaarden. Het is altijd Gods doel dat we hem als Heer van ons leven aanvaarden. Hij gebruikt genezing om mensen te helpen om in hem te geloven, ook al lijkt de uitwerking in de bijbel soms anders te zijn.
Hoe moet je die twee nu onderscheiden? Voor ongelovigen is genezing (net als vergeving) een gift. Voor ons is het niet alleen een gift, maar doordat we Jezus als Heer van ons leven hebben aanvaard ook een recht. Als kind van God mag je er aanspraak op maken (je hebt het al ontvangen), ongelovigen mogen er om bidden. Als zij hun vertrouwen op Jezus stellen wil God ook hen gezond maken

Is het niet meedogenloos om te zeggen dat iedereen kan genezen?
Nee, het is eerder meedogenloos om mensen te zeggen dat er geen oplossing is voor hun ziekte, terwijl Jezus daarvoor betaald heeft. Het is een ontkenning van de volheid van Christus’ werk, die helaas eeuwenlang bestaat en wereldwijd aanvaard is.

God kan mijn ziekte toch gebruiken om mij afhankelijk van hem te houden?
Nee, dat is een leugen van de duivel. Afhankelijkheid is volgens de bijbel juist dat je afhankelijk bent van het genezende offer van Jezus Christus. Vaak wordt in dit verband verwezen naar Job. Hij zei inderdaad wel heel vroom dat de Heer had gegeven en de Heer had genomen (Job 1:20), maar hij had Job 1 niet gelezen. Wij wel en daarom weten we dat de duivel hem teisterde, niet God. Wie Job als voorbeeld wil nemen zou het boek grondig moeten lezen. Job worstelde met zijn beeld van God en zou gaandeweg gaan bidden om iemand die voor hem in zou staan. Het was een gebed om de komst van Jezus. Job kreeg op den duur openbaring van wat er in Gods hart leeft en kon daarom bidden: “Ik weet: mijn redder leeft, en hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen” (Job 19:25). Waar Job naar uitkeek kijken wij op terug: God heeft ingegrepen door Jezus te sturen.

Gebruikt God ook dokters om te genezen?
Zeker; God laat alle dingen meewerken ten goede. Dokters zijn een zegen van God. Elke genezing die via een dokter plaatsvindt, is net zo goed een wonder van God. Het is alleen niet primair de weg die hij in de bijbel wijst. Wij gaan vaak eerst naar een dokter en als er geen uitzicht is naar dokter Jezus. God wil het graag andersom: dat we in alles (eerst) bij hem komen. Dan kan hij hetzelfde genezingsproces, maar dan zonder tussenkomst van een dokter en vele malen grondiger en sneller, laten plaatsvinden.

Wat doe je als genezing uitblijft?
Wanneer je voor wat betreft genezing bent geworteld in Gods Woord, is de volgende stap om zijn volmaakte offer te gaan belijden. Je gaat dus niet langer ‘bidden om genezing’, maar in de wetenschap dat je die genezing al ontvangen hebt ‘belijden dat je door zijn striemen genezen bent’, ook als je dan nog niet direct ziet dat de genezing in je lichaam zichtbaar wordt. In feite is dat een vergelijkbaar proces als bij schuldgevoel: je belijdt dat je vergeven bent en gaat vanzelf zien dat dit in je denken en gevoel doorwerkt.
Een voorbeeld uit het optreden van Jezus illustreert dit proces. In Marcus 11 vervloekt Jezus een vijgenboom. Op dat moment gebeurt er niets zichtbaars, maar later wel: ‘Toen ze ’s morgens vroeg weer langs de vijgenboom kwamen, zagen ze dat hij tot aan de wortels verdord was’ (vers 20). Het krachtwoord van de Here Jezus liet ter plekke de wortels sterven; het resultaat was de volgende dag pas goed zichtbaar.
Wanneer in de naam van Jezus genezing over je wordt uitgesproken, sterft de ziekte onmiddellijk aan de wortel. Gods Woord is namelijk betrouwbaar. De uitwerking kan echter nog even op zich laten wachten. Dan is het zaak om in geloof vast te blijven houden aan Gods volbrachte werk en de uitwerking daarvan op jouw leven. Laat het niet roven door ongeloof, gebaseerd op wat je ziet en niet op wat je gelooft.

Is het niet wijs om ‘God wil het (nu) niet’ als mogelijkheid te blijven zien?
Deze gedachte ligt zeer voor de hand en komt vaak voort uit een diepe betrokkenheid bij mensen die ziek blijven nadat met hen gebeden is. Maar juist dan moeten we niet aan Gods Woord gaan twijfelen. Niet onze praktijk (hoe kwetsbaar en pijnlijk ook) maar Gods realiteit is ons onwrikbare fundament.
Wel moet je er alles aan doen om te voorkomen dat er in zulke situaties veroordeling ontstaat, zowel van de kant van de zieke (‘Ik genees niet, want ik heb zo weinig geloof’), als van de kant van de bidder (‘Hij of zij geneest niet omdat ik niet in geloof bid’). De constatering dat iemand (nog) niet genezen is moet altijd gepaard gaan met het basisprincipe dat er geen veroordeling meer is voor hen die in Christus Jezus zijn (Rom. 8:1). Dat wij bepaalde situaties in Gods hand leggen kan wijs zijn, maar moeten we niet tot norm verheffen. God gunt ons de tijd om te zoeken en te groeien; daar is hij onze hemelse Vader voor. Laten we die ruimte echter niet gebruiken als aanleiding voor het vlees, door vanuit bepaalde ervaringen iets van zijn (en onze!) overwinning af te doen. ‘De Zoon van God is gekomen om de daden van de duivel teniet te doen’ (1 Joh. 3:8).

Willem de Vink, m.m.v. Constantijn Geluk