Lijstje favoriete strips

Claude Auclair – Simon van de rivier (1973-1978)
We hebben Hugo Pratt (van Corto Malteze), Giraud (Blueberry), Hermann (Bernard Prince, Comanche, De Torens van Schemerwoude), maar Auclair maakte verhalen die me echt wat deden. Ik zag mezelf al ronddolen in het tijdperk na de catastrofe.

Enki Bilal, Pierre Christin – De jacht(1983)
Hoe macht corrumpeert. Drama in verafgelegen Pools gebergte waar een stelletje politieke leiders uit de nadagen van het communisme afrekenen met een collega. Ik heb in dezelfde tijd en ook in van die barre winters in die gebieden rondgebanjerd en herken de sfeer. En ik heb ook in leidersgroepen gezeten.

Robert Crumb – Het boek Genesis (2009)
Geen obsessieve seks van deze underground tekenaar deze keer, maar een groots uitgewerkte verbeelding van de complete tekst van Genesis uit het boek van zijn vaderen. In dat fabuleuze lijnenspel.

Guy Delisle – Jeruzalem (2012)
Ik ken Jeruzalem redelijk goed, kom er elk jaar. En dan is er een tekenaar die zijn leven daar als expat op papier weergeeft. Zo treffend, zo grappig, zo schrijnend soms ook. Zijn eenvoudig getekende observaties met een buitenstaandersblik zijn net zo scherp als de beste journalistieke reportages. Hij deed het eerder over Noord-Korea, China en Birma.

Will Eisner – A contract with God (1978)
Ik blijf kijken hoe Eisner de stad uitbeeldt. De uitvinder van de graphic novel schildert in krachtig zwart-wit hoe Joden uit Oost-Europa in New York overleven. Lees ook ‘Dropsie Avenue’, waarin een straat in The Bronx de stromen immigranten overleeft. Stadsleven is overleven voor bewoners, straten, wijken en zelfs voor God.

Guust Flater – Van flaters gesproken (1969)
Franquin was de meester van de slapstick, die hij fenomenaal in beeld bracht met zijn buigzame stripfiguren. Sommige volwassenen geven de voorkeur aan het album ‘Zwartkijken’. Ik blijf grinniken om de onnozele puberhumor in ‘Guust’.

René Goscinny/Albert Uderzo – Asterix bij de Britten (1966)
Geef mij maar de eerste Asterix-albums. Mijn verblijf in het ziekenhuis fleurde helemaal op toen ik als negenjarig jochie ‘Asterix en Cleopatra’ kreeg van een trouwe vriend van mijn ouders. En kostelijk toch hoe onze overburen in ‘Asterix bij de Britten’ worden getypeerd? Nou, ik blijf me bescheuren!

Hergé – Kuifje in Tibet (1960)
Ik zag in Beijing een restaurant dat helemaal ingericht was met Kuifje graphics en attributen. Zo beroemd is onze kleine reporter. Kuifjes nieuwsgierigheid en rechtvaardigheidsgevoel brengen hem op de meest uiteenlopende plaatsen in de wereld. Ook in China dus. Maar in Tibet is zijn geestelijk vader in mijn ogen het meest trefzeker.

Daan Jippes en Martin Lodewijk – Twee voor thee (1973)
Daan Jippes was in mijn eerste jaren als striptekenaar een voorbeeld voor me, omdat je de ontwikkeling in zijn stijl zo goed kon volgen. Eerder had ik al het tekenwerk van Martin Lodewijk afgekeken. Hij schreef het scenario van ‘Twee voor thee’. Grappig, die man woont in Rotterdam een paar straten verderop. Hij wist niet wat hij moest zeggen toen ik hem vertelde dat ik de meest vertaalde strip had gemaakt. Ik gaf hem ‘Jezus Messias’ en ‘Stripverhaal Wereldtaal’ en hij gaf me een zeefdruk van ‘Agent 327’.

Harvey Kurzman – The Art Of Harvey Kurzman (2009)
De geestelijk vader van het satireblad ‘Mad’ kreeg veel humoristen langs die later hun eigen invloed zouden doen gelden, zoals de geweldige tekenaars uit zijn eigen stal, maar ook stripmakers als René Goscinny, Albert Morris en Robert Crumb en de filmmakers Terry Gilliam en John Cleese. Zelf tekende hij strips die aan storyboards doen denken: ongeduldig uitgewerkte rake ideeën.

Jacques de Loustal – Besame Mucho (1987)
Gestileerde figuren in een nonchalante lijnvoering. Sfeertekeningen in waterverf. Opengelaten plekken die werken als licht. Weinig actie, weinig balloons, weinig kletsende koppen. Wel veel lege plekken in beeld en tekst. Ik hou van Loustals relaxte, literaire toon. Dit verhaal gaat over een trieste saxofonist die vrouw en kind achterlaat. Maar het feest moet doorgaan.

Winsor McCay – Little Nemo (1905-1926)
Zo mooi, zo teer, zo grappig, met tekenwerk van zo’n hoog niveau – dit is geen strip, dit is kunst met vijf hoofdletters. Je duikt met het kleine jongetje Nemo het onderbewustzijn in: wonderbaarlijke droomwerelden, telkens onderbroken door een nieuwe dag, zodat op de volgende pagina weer zo’n wonderdroom op kan duiken. Echt, hier kan ik zo van genieten!

Richard McGuire – Hier (2010)
Een uniek idee, mooi uitgevoerd: een huiskamer vanuit hetzelfde standpunt honderden keren getekend, terwijl de tijd verstrijkt. Wel door elkaar gehusseld, zodat je moet bladeren om de verhalen die zich door de tijd heen in de kamer afspelen te volgen. (Ook de Bijbel kent allemaal tijdsprongen, zodat je ook daarin heen en weer moet bladeren.)

Cyril Pedrosa – Portugal (2011)
Gelaagd autobiografisch verhaal, met warmte en humor verteld. Hoe de tekenaar met zijn familie van Portugal naar Frankrijk verhuist en daar depressief wordt. Terug in Portugal komt er weer kleur in zijn verhaal (onder andere door de taal). Schetsmatig en teder getekend, prachtig open lijnenspel in zachte kleuren. Kostbaar boek, ik blijf het bekijken.

Joe Sacco – Onder Palestijnen (1992)
Joe Sacco brengt de ellende die mensen in de Palestijnse gebieden moeten doorstaan overtuigend in beeld. Ik ken die wereld, heb er diverse keren gebivakkeerd. Om zijn verhaal gewicht te geven gebruikt de stripjournalist honderdduizenden lijntjes en stippeltjes. Hij laat ook zien dat Joden en Palestijnen het samen goed zouden kunnen hebben, als ze zich tenminste niet zouden laten meeslepen door religieuze en politieke machtsspelletjes. Maar ja.

Joann Sfar – De kat van de rabbi (2007)
Waarom is Joodse humor zo ontzettend grappig? Een kleine rabbi probeert trouw te zijn aan de traditie, zijn weelderige dochter wil graag wat losser leven, maar de vileine kat doet waar hij zin in heeft (hevig verliefd zijn op die welgevormde dochter). Ik had dit boek met z’n zenuwachtig gebkrabbelde tekeningetjes nooit zelf gekozen, maar ik kreeg het van mijn kinderen voor mijn verjaardag. Schot in de roos!

Shuan Tan – De aankomst (2006)
Tekstloos beeldverhaal van een migrant die een nieuwe wereld binnenstapt en vervreemdende ervaringen meemaakt (en ook een gezinshereniging). In oogstrelende potloodtekeningen. Dit is kijken, kijken, kijken. Nooit eerder zo’n liefdevolle, verfijnde kijkbelevenis in boekvorm gehad.

Thé Tjong Khing – Arman en Ilva (1969-1975)
Futuristische serie in stripstroken voor de krant. Thé kan als geen ander figuren laten acteren: je leest hun gevoelens en gedachten al voor de tekst uit. Ik heb zijn fijnzinnige tekenwerk altijd bewonderd.

Craig Thompson – Een deken van sneeuw(2003)
Wat mij betreft de beste graphic novel. In ieder geval mijn meest dierbare. Virtuoos getekende, evenwichtig gecomponeerde pagina’s vol snelheid en rijke patronen in trefzekere penseelstreken. En belangrijker nog: een sterk emotioneel geladen, helder verhaal dat heel herkenbaar is voor mij. Een jongen en een meisje maken zich los uit het keurslijf van de kerk vanwege een verboden liefde voor elkaar. (Ook Craig Thompson verliet de kerk, zoals zoveel kunstenaars. Waarom kunnen kerken mensen die out of the box denken zo moeilijk een plek geven?) Meest sprekende plaatje in dit stripboek: de meisjeskamer waar de jongen en het meisje elkaars lichaam aftasten, terwijl Jezus in een afbeelding aan de muur naar hen knipoogt.

Bill Watterson – Casper en Hobbes (1985-1995)
Ontwapenend ventje botst met tobbende ouders en verdwijnt regelmatig in zijn fantasiewereld, samen met zijn knuffel. Zo grappig, ontroerend en zelfs wijs vaak. De stripstroken zijn ook nog eens heel mooi en vloeiend uitgewerkt.