Interview Visie: ‘Mijn vader sloeg soms alles kort en klein’

Interview door Gert-Jan Schaap, Visie 17, 2018. Als kind kreeg Willem de Vink vaak klappen van zijn vader. Net als zijn moeder. En zijn beide broers. Want pa De Vink was een onberekenbare driftkop, wiens woede hun gezinsleven volledig ontwrichtte. “Zodra hij binnenkwam, was de spanning om te snijden: hij kon elk moment ontploffen. De deur viel achter hem dicht, en je bevroor.” (Leestijd 11 minuten)

Nooit vergeet hij de nachten die hij, als kind van 11 of 12, naast zijn moeder op het doorgezakte ouderlijk bed doorbracht. De deur zat stevig op slot. Want stel dat zijn vader – die een verdieping hoger sliep – iets in zijn hoofd haalde en wraak wilde nemen op zijn vrouw, met wie hij in een scheiding lag. Hij had haar al zo vaak geslagen en bedreigd. Hoe klein en machteloos Willem ook was, hij wilde zijn moeder als een schildwacht beschermen. “Ze had me gesmeekt bij haar te komen liggen, uit angst voor mijn vader.”

Ontzettend dubbel
Op de elegante, kobaltblauwe sofa in zijn woonkamer geniet striptekenaar, schrijver en spreker Willem de Vink (Utrecht, 1957) van een espresso. De hoge raampartij achter hem biedt een wijds uitzicht op de hoogbouw van Rotterdam, de Maas en de lichtbewolkte lentehemel. Samen met zijn vrouw Marian woont hij in een historisch pand aan de Prins Hendrikkade op het Noordereiland, tussen twee beroemde bruggen: de Hef en de Zwaan.

Net als deze stad, die in mei 1940 zwaar werd gebombardeerd, weet Willem uit de eerste hand wat pijn, verlies en geweld is. “Mijn vader was zeer aanwezig in huis,” vertelt hij. “Je moest altijd oppassen wat je zei, want hij was volstrekt onberekenbaar. Hij kon heel aardig zijn, maar ook de boel helemaal kort en klein slaan, of God bij wijze van spreken naar beneden vloeken. Ik heb eindeloos veel klappen en schoppen geïncasseerd. Terwijl hij – net als mijn moeder – toch oprecht geloofde; geloof was in ons gezin ontzettend belangrijk. Dat was ontzettend dubbel. Misschien wel juist omdat mijn vader zo gewelddadig was, heb ik me van jongs af aan enorm aangetrokken gevoeld tot Jezus. Bij Hem voelde ik me wél geliefd.”

Vechten met de grote beer
Soms begon de ellende thuis tamelijk onschuldig. Dan daagde pa De Vink zijn jongens bijvoorbeeld uit om met hem te stoeien. ‘Wie wil er vechten met de grote beer?’ riep hij dan. Hun moeder zag het met bezorgde ogen aan. ‘Gerard, Gerard, niet doen!’ riep ze – tevergeefs.

Wat begon als een onschuldige stoeipartij, escaleerde steevast. “Binnen de kortste keren kreeg hij een strak gezicht en felle, samengeknepen ogen. En dan ging hij erop los timmeren, als een of ander monster. Dus het was voor ons altijd heel spannend om met hem te stoeien.”

Waarom deden jullie het dan toch?
“Als kind vind je het toch spannend: een volwassene die door het lint gaat. Hoe gek het ook klinkt, het heeft iets aantrekkelijks: agressie fascineert.”

Waar kwam die ongekende woede van jouw vader vandaan?
“Ze spraken er bijna nooit over tegen ons, maar mijn ouders waren allebei fout in de oorlog. Mijn moeder was een NSB-vrouw. In de oorlogsjaren werkte ze over de grens als bediende van een spoorwegovergang, waar ook treinen met Joden moeten zijn langsgekomen. Mijn vader heeft als NSB’er met de SS aan het oostfront tegen de Russen gevochten. Daar moet hij verschrikkelijke dingen hebben gezien – en gedaan. Hij verloor er al zijn tanden en liep er een schotwond in zijn borst op, net boven zijn hart. Als kind heb ik het ronde, diepe litteken gezien: de kogel is dwars door zijn lichaam gegaan. Waarschijnlijk is hij daarna per vliegtuig teruggekeerd.” Peinzend: “Waarom mijn ouders voor de Duitsers kozen, zullen we nooit weten. Dat hebben ze ons nooit verteld. Mijn moeder moest na de oorlog dwangarbeid verrichten en mijn vader kwam in een strafkamp terecht.” Na een korte stilte: “Ik denk dat alle woede die in hem zat, uiteindelijk terug te voeren is op zijn oorlogservaringen. ’s Avonds hoorden we hem weleens onverstaanbare zinnen uitschreeuwen in zijn nachtmerries.”

Via een NSB-blad
“Mijn vader en moeder leerden elkaar in de oorlog kennen, via een NSB-blad,” vervolgt hij. “Daarin publiceerde hij gedichten. Naar aanleiding daarvan zocht zij contact met hem. In 1944 zijn ze verloofd, en in 1947 getrouwd. Helaas niet uit liefde: in de worsteling om hun eigen verleden een plek te geven, bombardeerden ze elkaar tot vijand. Met anderen spraken ze er niet over: ze waren doodsbang voor veroordeling.”

Na hun huwelijk zagen ze jarenlang geen kerk meer vanbinnen. Tot ze, in het voorjaar van 1957 – een paar maanden voor Willems geboorte – tot bekering kwamen, door contacten met mensen van Stromen van Kracht. Ze sloten zich aan bij deze zeer charismatische opwekkingsbeweging, waarvan oprichter Karel Hoekendijk de spilfiguur was.

Hoewel zijn ouders het geloof vanaf dat moment uiterst serieus namen, zorgden de voortdurende woedeaanvallen van zijn vader ervoor dat Willem opgroeide in een zeer onveilige omgeving. Geen wonder dat de tekenaar-in-spé, die een oudere zus en twee oudere broers had, nooit nagels aan zijn vingers had: hij was op van de zenuwen. Niemand wist wanneer de volgende driftbui zou losbarsten.

Ik bad met mijn hoofd onder de dekens. ‘Here Jezus,’ fluisterde ik zonder geluid, ‘ik wou dat sommige dingen niet bestonden. Ruzie bijvoorbeeld. Houdt dat nooit op? In de hemel toch wel? Pappa zei allerlei dingen die hij helemaal niet mag zeggen, maar wilt U hem daar niet voor straffen? Ik zal het aan niemand vertellen. Mamma zegt dat ’t wel goed komt, maar ik weet het niet Wilt U voor pappa en mamma zorgen? En voor mij? Ik wil niet op pappa lijken. Echt niet. Helpt U me daar alstublieft bij.’ (Citaat uit het autobiografische boek ‘Getekend’ van Willem de Vink)

Besefte je dat het gedrag van jouw vader abnormaal was?
“Nee. Als kind neem je de dingen zoals ze zijn. Pas later, toen ik bij vriendjes over de vloer kwam, merkte ik dat het ook anders kon.”

Vanaf je vroegste jeugdjaren tekende je al ongelofelijk veel. Was dat een overlevingsstrategie?
“Achteraf gezien wel. Stripfiguurtjes en verhaaltjes bedenken, dat was mijn uitlaatklep voor alle spanningen thuis. Ik was een baldadig jochie, gooide ruiten in en zo, maar ik uitte me het liefst op papier. En ik dacht jarenlang dat dit genoeg was.”

‘Oh happy day’
Zijn kindertijd was een aaneenrijging van inktzwarte dagen, zegt hij. Lachend: “Weet je wat de mooiste dag uit mijn jeugd was? De dag dat mijn vader definitief vertrok, na de echtscheiding van mijn ouders. Ik was toen 12. We zongen ’s avonds Oh happy day van The Edwin Hawkings Singers mee met Hilversum 3; dat gospelnummer stond juist nummer 1 in de hitlijsten.”

Dat happy-gevoel verdampte overigens pijlsnel. De jarenlange spanningen en de talloze aanvallen van blinde razernij, hadden diepe schade aangericht. Als tiener voelde Willem zich nog steeds afgewezen en veroordeeld. Ongeliefd. Er huisde een diepe angst in hem: het gevoel dat hij er niet mocht zijn. “Ik zie dat ook terug in de tekeningen uit die tijd. Die zitten vol donkerheid, geweld, agressie en angst. Aan de muur in mijn werkkamer hangen er wat voorbeelden van. Heel dubbel: die tekeningen kwamen echt ‘uit mijn tenen’ en vormen misschien wel mijn beste werk.”

Joviale jongen
Omdat hij dag in dag uit fanatiek (en verbluffend goed) tekende, had hij totaal niet door dat hij “helemaal op slot zat”. Hij sloot zich op in een fantasiewereld. “Ik uitte me op papier, kladblok na kladblok. Meer had ik niet nodig – dacht ik.”

De eerste die hem ermee confronteerde dat hij in een ivoren toren leefde, was een vriend die hij leerde kennen op een trainingsschool annex leefgemeenschap van Jong en Vrij. Daar was hij in dienst gekomen als tekenaar van het gelijknamige maandblad.
“Ik leek in de omgang een joviale jongen, maar was ondertussen zo gesloten als wat. Niemand mocht dichtbij komen; ik kon me niet hechten. De pijn en de boosheid zat er in mijn tienerjaren nog steeds in. In deze leefgemeenschap had ik een heel goede vriend. Op een dag vroeg hij me: ‘Wat vind je van onze vriendschap?’ ‘Geweldig!’ zei ik. Want hij vertelde altijd alles aan me; ik dacht: wat een vertrouwen geeft hij me! Toen reageerde hij: ‘Ik vind het helemaal niks, want jij vertelt helemaal niets over jezelf.’ Hij daagde me uit te vertellen wat er in mij leefde, emoties te tonen. Pijnlijk, maar tegelijk genezend.”

Smoorverliefd
De leider van de leefgemeenschap, ex-militair Nico van Biljouw, merkte eveneens dat het creatieve talent in zijn gelederen een verstokte solist was. Op een dag keek hij Willem indringend aan met zijn opvallende, lichtblauwe ogen, en stelde hem keihard voor de keuze: veranderen, of vertrekken. “Nico eiste contact, hij wilde dat die eigenwijze kunstenaar voluit meedeed met de anderen, terwijl ik een eiland was. Daarom zette hij me voor het blok.”

Dat hielp. Beetje bij beetje kroop Willem uit zijn cocon. Wat scheelde, was dat hij smoorverliefd werd op een leuk Jong en Vrij-meisje: Marian. “Zij kwam net als ik uit een gebroken gezin. Daarom voelden we elkaar intuïtief aan. Zij was de allereerste persoon aan wie ik mezelf echt kon leren geven. We trouwden toen we 22 en 19 waren. En al vrij snel werden we vader en moeder. Onze oudste, Ivo, is een jaar later geboren.”

Vond je het, met jouw ervaring, niet eng om vader te worden?
“Nee. Al waren we ons er wel scherp van bewust dat we niet wisten wat een huwelijk is, wat ouders zijn.”

Jullie gingen een avontuur aan?
“Ja. Maar wel met God.” Lachend: “We waren allebei eigenwijs: we dachten dat we het wel konden. Gaandeweg hebben we ontzettend veel moeten leren en afleren. Destijds had je nog nauwelijks huwelijksboekjes, laat staan –cursussen. Die geven we nu zelf.”

Gebalde vuisten
Zodra hij vader werd, groeide bij Willem het besef dat hij ‘iets moest’ met de vergeving die hijzelf had ervaren. “Ik wist: in Jezus is geen veroordeling. Aan het kruis heeft Jezus niet alleen mij vergeven, maar ook mijn vader. Die zette altijd alles en iedereen betaald, en ik was nog altijd boos op hem, om wat hij ons gezin had aangedaan. Tegelijk wist ik dat God van ons vraagt onze vader en moeder te eren.”

Willem steekt een gebalde vuist omhoog. “Je kunt ervoor kiezen om boos te blijven en zo te leven, met gebalde vuisten. Maar je kunt je hand ook openen; dan geef je de andere niet wat hem toekomt. Ik wist dat ik een gelegenheid moest zoeken om hier met hem over te spreken. Na de echtscheiding spraken we elkaar twee keer per jaar; hij was een totale vreemde voor me geworden.”

‘Christenen kunnen niet vergeven’
Hij zou die bewuste ontmoeting letterlijk kunnen uittekenen, alsof het gisteren was. “Mijn vader – een kleine, gedrongen man met scherpe gelaatstrekken – had een volkstuintje in Utrecht-noord. Ik reed erheen. Daar stond hij, laarzen in de klei. Hij begon zich direct te beklagen, over de scheiding, over het verleden. Dat zijn leven zo anders was verlopen dan hij had gehoopt. Toen zei ik: ‘Pap, ik heb het je vergeven.’ Direct zag ik zijn ogen klein worden, z’n lippen verstijven. ‘Christenen kunnen niet vergeven,’ beet hij me toe.”

Hij duwde je weg, met woorden.
“Ja. En het gekke was: dat stond ik toe. Van zijn kant was er geen discussie over mogelijk. Maar ik ervaarde voor mezelf wel: ik heb het gezegd, nu ben ik vrij. Het ontwapende mijn wrok.”

Was je niet enorm teleurgesteld?
“Natuurlijk. En tegelijk was het een bevrijding, voor mezelf: ik kon mijn hand openen, en mijn verhouding naar hem toe veranderen. Eindelijk kon ik mijn boosheid loslaten.”

Grappige figuurtjes
Gaandeweg veranderde er ook iets bij zijn vader, die vrij snel na de scheiding hertrouwd was. “Ik begon hem wat vaker op te zoeken. Tot mijn stomme verbazing liet hij me opeens tekeningen zien. Nog nooit had ik hem zien tekenen. Hij maakte grappige figuurtjes, had oog voor lichaamshoudingen, details, karakters. En hij tekende bijvoorbeeld vogeltjes op iemands hoofd, wat ik ook deed. Mijn mond viel open van verbazing. Dat was echt heel bijzonder. Vroeger zeiden mensen vaak: ‘Wat lijk je toch op je vader.’ Nou, dat was voor mij geen compliment! Maar toen hij die voor mij volledig nieuwe, creatieve kant van zichzelf liet zien, kwam hij plotseling toch weer dichterbij.”

Gods genade
“Ik denk, achteraf, dat hij de vergeving die ik hem aanbod, wel degelijk heeft geaccepteerd,” zegt Willem na een tweede espresso. “Maar zijn eerste reactie was er een van: nee. Ik geloof dat Gods genade in zijn leven toenam, waardoor hij ook veel milder werd. Zijn tweede vrouw, een heel ander type dan mijn moeder, heeft zelfs Jezus leren kennen door hem. Zo was mijn vader ook: hij kon mensen geweldig enthousiast maken over Jezus. Dat was echt vrucht van zijn leven. Zijn tweede vrouw heeft hem nooit ‘weggezet’ omdat hij driftbuien had, geen goede vader was of een slecht verleden had. Zij accepteerde hem zoals hij was.”

Ze keek met Gods ogen naar je vader.
Willem knikt. “Zij kon hem nemen zoals hij was. Ze is inmiddels de negentig gepasseerd. In gesprekken met haar wordt het ‘plaatje’ van mijn vader steeds completer. ‘Ik kende hem anders dan jij,’ zegt ze. Dat geloof ik. Hij heeft trouwens nog meegemaakt dat ik aan mijn bekendste strip, Jezus Messias, werkte. Dat vond hij geweldig. Hij zou trots zijn als hij wist dat er inmiddels meer dan een miljoen exemplaren van zijn verspreid, in 110 talen. Mijn moeder, die in 2001 op 89-jarige leeftijd is overleden, heeft het gelukkig nog wel meegemaakt.”

Op zijn sterfbed
Terwijl het wolkendek boven de Maas breekt en het zonlicht over de sofa stroomt, haalt hij een bijzondere herinnering op. “Toen mijn vader wist dat hij snel zou overlijden – hij was inmiddels 76 – heeft hij op mij gewacht. Wij waren op vakantie in Bretagne. Hij heeft geworsteld met zijn overlijden…”

Waar zat die worsteling in?
“Op zijn sterfbed moet hij zijn hele leven met zich hebben meegedragen, en daar pijn over hebben gevoeld. Diep in hem zat toch nog steeds een bepaalde onrust, ondanks zijn geloof in Gods vergeving en genade. Ik ben ervan overtuigd dat hij in die worsteling op mij heeft gewacht; hij drong er namelijk bij zijn tweede vrouw op aan dat ik zou komen; mijn zus en broers waren er al twee dagen. We zijn halsoverkop teruggereden en hebben hem gelukkig in vrede zien overlijden. Contact was toen al niet meer mogelijk.”

Wat ging er door je heen toen je zag dat hij zijn laatste adem had uitgeblazen?
“Het is klaar. Het is goed. Je hebt je leven geleefd, de strijd is gestreden. Nu mag je rusten. Rusten in God. Toen ik mijn dochtertje later optilde boven de kist waarin hij opgebaard lag, keek ze naar zijn vredige gezicht. Verrast zei ze: ‘Opa is niet dood – hij slaapt!’”

Visie 17, 2018
Tekst: Gert-Jan Schaap

Levensmotto
“Johannes 15:8 houdt me momenteel sterk bezig: ‘Hierin is de Vader verheerlijkt, dat je veel vrucht draagt.’ Mijn leven heeft zin, mag vrucht dragen. Dat Jezus Messias inmiddels al in meer dan honderd talen is verschenen, is daar een prachtig voorbeeld van. Voor mij is kunst een brug om door te geven wat ik uit genade ontving.”

Selfie
“Ik ben een enthousiaste vent. Enthousiast voor de boodschap van Jezus én voor relaties.”

Ouderlijk huis
“Toen ik nog een kleuter was, heeft mijn vader onze hele achterkamer ingericht als volière. Het vuil en de wat zurige geur die dat met zich meebracht, zijn me altijd bijgebleven.”

Persoonlijk
Willem de Vink (Utrecht, 1957) was actief als illustrator en later als hoofdredacteur en uitgever van het blad Jong en Vrij. Na 15 jaar verliet hij de gelijknamige organisatie om zich aan het stripboek Jezus Messias (1993) te wijden. De Vink werkte als zelfstandig journalist en illustrator, en was oprichter van de HQ School voor Bijbel en Kunst, die dertien jaar heeft bestaan. Van 2002 tot 2004 was hij directeur van Agapè. Hij publiceerde diverse andere boeken, waaronder Getekend (1999), Dit is liefde, Vincent (2013) en Stripverhaal wereldtaal (2017). Tot 2017 werkte hij en zijn vrouw mee aan de opbouw van de Jong en Vrij-gemeenten in ons land. Ze geven huwelijksseminars en publiceerden in 2017 samen het boek Hemels Huwelijk. Zij hebben drie volwassen kinderen en twee kleinkinderen.

Bekijk de strip De kracht van genade door Willem de Vink.
In zijn autobiografie Getekend beschrijft Willem de Vink zijn jeugd.
Lees ook het essay De kracht van vergeven door Willem de Vink.