34. De spiegel

Er was eens een koning die een kostbaar juweel bezat. Tot ver over de grenzen vertelden mensen elkaar dat er in heel de wereld geen mooier sieraad te vinden was. De koning wilde zijn pronkstuk graag aan zoveel mogelijk mensen tonen. Iedereen die het zag, zou dan een straaltje van zijn glorie opvangen en daar voor altijd blij mee zijn.

Om het juweel nog indrukwekkender te maken, had de koning een plan bedacht. Hij liet een spiegel vervaardigen die de glans van het sieraad zou weerkaatsen. De verdubbeling van zijn luister zou iedere bewonderaar versteld doen staan, en met nog meer vreugde naar huis doen gaan.

Het juweel werd in de toonzaal van het paleis op een rijk versierde sokkel geplaatst, iets meer dan manshoog, zodat iedere bezoeker er naar op zou kijken. Aan de wand tegenover het kostbare kleinood werd de spiegel opgehangen. Zij zou het pronkstuk in de ogen van de bezoekers extra laten stralen.

Om haar eervolle taak extra glans te geven, had de koning de spiegel laten inlijsten in een kunstig gesneden en verguld raamwerk. Maar de spiegel hing er mat bij. Ze was boos en ontevreden. Ze wilde pertinent niet dat het juweel in haar weerspiegeld zou worden. Schitteren wilde ze wel, maar dan van haar eigen glorie.

Kon ze maar van het sieraad af, dat tegenover haar zo vrolijk stond te stralen. Natuurlijk wist ze wel hoe dat zou kunnen. Ze wist het heel goed. Dus wipte ze op een kwade dag zichzelf van de haak aan de muur, om met veel geraas in stukken te vallen.

De spiegelscherven lagen wijd verspreid over de paleisvloer. De ravage was niet om aan te zien. Toch bleven de stukken trots en eigenwijs liggen waar ze lagen, zodat het sieraad niet meer zijn glans in hen zou kunnen weerkaatsen

De scherven hoopten dat ze van nu af aan niets anders dan zichzelf zouden weerspiegelen. Maar dat viel vies tegen. Hoe graag ze ook wilden, ze konden met geen mogelijkheid hun eigen spiegelbeeld overdragen. Ze zagen ook niet hoe glansloos en dof ze geworden waren.

De koning werd erbij geroepen. Hij zag de puinhoop in zijn pronkzaal, en kreeg tranen in zijn ogen toen hij bedacht wat er van de spiegel geworden was. En hij had haar nog wel zoveel luister toebedeeld!
Toch besloot hij de scherven niet bij elkaar te vegen en weg te gooien, want hij wilde zijn plan met de spiegel niet opgeven. Die moest en zou, ondanks alles, de schitterende schoonheid van zijn geliefde juweel weerspiegelen.

De koning schakelde hulp in. Het juweel moest hem helpen. Hij vroeg hem om zichzelf  op de grond te laten vallen, zodat ook hij in stukken zou breken, tussen de scherven van de spiegel.

Het juweel had alle vertrouwen in de koning, omdat hij wist dat hij zijn lieveling was. Dus sprong hij van zijn voetstuk af om met veel gekletter tussen de spiegelscherven in stukken te vallen. Ook al lagen alle stukken door elkaar verspreid over de paleisvloer, nu konden de scherven van de spiegel toch nog de glans en glorie opvangen die van de scherven van het juweel af straalden. Samen zouden ze de volle pracht van het juweel kunnen weerkaatsen, precies waarvoor ze bedoeld waren.

Zo bood het juweel zich aan de spiegelscherven aan: in stukken gebroken, zodat ze hem zouden kunnen weerspiegelen. Maar de meeste spiegelstukken zagen dat helemaal niet zitten. Velen van hen bleven liever op zichzelf, omdat ze hardnekkig wilden blijven geloven dat ze vanuit zichzelf wel zouden gaan stralen. Anderen hadden de hoop opgegeven dat er ooit nog iets zou gaan stralen. Zij bleven liever dof en mat. Maar er waren ook scherven die ernaar verlangden om dichtbij het sieraad te zijn, om zo zijn stralende schoonheid op te vangen. Het juweel bracht deze stukken samen, om ze aan zijn majesteit aan te bieden.

De koning nam de scherven graag aan. Hij liet ze plaatsen in een nieuwe en nog mooiere sierlijst, zodat in hun spiegeling toch nog de pracht van het juweel getoond kon worden. En kijk: de spiegel was gebroken, het juweel was gebroken, maar de glans was ongebroken. Het schervenpatroon had zelfs een versterkend effect op de weerkaatsing: de barsten veroorzaakten een vuurwerk van licht.

Zo zag de koning zijn oorspronkelijke plan alsnog in vervulling gaan. Hij zag het, en was des te trotser op zijn juweel en zijn spiegel.

Eind goed, al goed? Jazeker, maar dit is nog niet het einde van het verhaal. De koning had namelijk nóg iets in gedachten. Hij gunde de spiegelstukjes die de nieuwe spiegel vormden een bijzonder vooruitzicht, en om hen te laten delen in zijn vreugde daarover, onthulde hij zijn plan.
‘Luister!’ zei hij. ‘Jullie mogen niet alleen de glans en glorie van mijn geliefde juweel weerspiegelen, maar ook de majesteit van mijn eigen koninklijke verschijning. Op de dag dat ik mijn spiegel in de troonzaal hang en mijn juweel als een sieraad om mijn hals draag, zullen jullie stralen als nooit tevoren!’