112. De glorie van Pasen
De glorie van Jezus is nergens zo zichtbaar als aan het kruis. Het is een vreemde, onverwachte, paradoxale glorie. Als Hij daar hangt lijkt er niets fraais aan. Hij hangt daar uitgekleed, geslagen, bespot en vernederd. Toch schuilt juist daar een glorieus geheim in. Jezus heeft op dat moment zijn glorie afgelegd om die over te dragen aan ons. De glorie van Jezus is dat Hij zijn glorie op die manier vermenigvuldigt.
Vanaf het kruis schenkt de Zoon van God ons het geloof dat ook wij kinderen van dezelfde Vader mogen zijn. Zijn grootste glorie is dat Hij zijn Vader veel kinderen geeft. Jezus’ glorie is dan ook de glorie van de Vader. Het is een glorie waarin wij als zijn kinderen mogen delen. We kunnen ons daarover blijven verbazen. Doe dat met mij in onderstaande ode aan zijn glorie.
Zijn extreem sterke zelfbesef
Hoe kwam Jezus aan zijn overweldigende glorie? Hoe kon Hij zich met zijn boodschap van liefde staande houden in een wereld waarin religieuze, politieke, economische en militaire machten hun dwingende invloed uitoefenden? Hoe wist Hij zichzelf tot in de moeilijkste omstandigheden trouw te blijven? Vanwaar die onwrikbare standvastigheid? Waar had Hij zijn verbluffende zelfverzekerdheid en onafhankelijkheid vandaan?
Op elke bladzijde van de vier evangeliën blijkt: van zijn hemelse Vader. Hij benadrukte dat onafgebroken, bijna overdreven, zodat we ons niet zouden vergissen. Hij wilde voorkomen dat we zouden denken dat Hij op eigen houtje bezig was en uit zichzelf tot zulke wonderbaarlijke dingen in staat was. Nee, Hij was in heel zijn wezen één met zijn Vader in de hemel. Dat bepaalde wat Hij zei en wat Hij deed. Telkens opnieuw verwees Hij naar zijn Vader als Hij het had over zichzelf of verantwoording aflegde van wat Hij deed. Bij alles wat Hij beweerde en uitvoerde gaf Hij bij wijze van spreken het visitekaartje van zijn Vader af.
Zijn toewijding aan de Vader
Als tiener wijdde Jezus zich al aan deze Vader toe. ‘Weten jullie niet dat Ik bezig moet zijn met de dingen van de Vader?’ vroeg Hij zijn opvoeders. Het was een opmerking waar een resolute keus achter stak, waarmee Hij zijn toekomst richting gaf. Dezelfde toewijding zien we dan ook nadrukkelijk terug in Jezus’ volwassen leven. Hij haalde uit zijn intieme omgang met zijn Vader een verbazingwekkende inspiratie. Al zijn woorden en daden waren ervan doortrokken. In alles was Hij afgestemd op Hem. De zelfkennis die Hij bij zijn Vader had opgedaan bepaalde heel zijn leven. Het was het geheim van zijn aantrekkingskracht, maar ook de reden waarom Hij zoveel weerstand opriep. Als Hij God zijn Vader noemde, moest Hij wel en Zoon van God zijn. En als Hij dat inderdaad was, moest er naar Hem geluisterd worden. Maar wie wilde dat? Toch wist Hij van geen wijken. Hoe Hij zichzelf zag zou niet alleen zijn optreden bepalen, maar heel zijn levensweg, tot en met zijn dramatische dood en het verbluffende wonder dat daarop volgde.
Zijn overgave
Zoals eerder gezegd: er is niemand met zo’n sterk zelfbewustzijn als Jezus. Hij weet precies wie Hij is en wat Hij wil bereiken. Maar Hij put zijn opvallende wilskracht duidelijk niet uit zichzelf. De bron van zijn sterke zelfbesef ligt buiten Hemzelf. Het wordt gevoed, in balans gehouden en naar buiten gebracht door de stroom van liefde die Hij ontvangt van zijn hemelse Vader. Omdat die nooit onderbroken wordt, kan Hij ervan blijven doorgeven. Zijn vrijgevigheid wordt namelijk nooit verstoord door schaamte, twijfel over zichzelf, moedeloosheid of compensatiedrang vanwege tekorten. Jezus is totaal vrij en ongedwongen. Hij kent geen verleden dat Hem in de weg zit, geen noodlot waaraan Hij is uitgeleverd, geen angst voor meningen van anderen of dwang van instituties. Hij leeft in vrede met zichzelf, is daarom weinig met zichzelf bezig en laat zich niet intimideren door zijn omgeving.
Jezus moet niets, behalve dat Hij van zichzelf de wil van de Vader moet doen. Hij doet dat omdat Hij zichzelf vereenzelvigt met die Vader. Maar op een bepaald moment lijkt het toch nog compleet mis te gaan met dat zelfbewuste optreden van Hem, als Hij zichzelf uitlevert aan de spot en gewelddadigheden van mensen. En toch. Juist door zijn vrijheid en onafhankelijkheid op te geven laat Hij zien hoe vrij en onafhankelijk Hij is. Met zijn keus om zich over te geven toont Hij aan wat liefde is, want Hij doet dit ter wille van de mensen die Hij liefheeft. Het lijden wat erop volgt lijkt bij Hemzelf vooral verbazing en verdriet op te roepen over degenen die Hem dit aandoen, maar geen zelfmedelijden. Zelfs aan het kruis is Hij nog bezig met anderen. ‘Vader, vergeef het hun,’ zegt Hij, ‘ze weten niet wat ze doen.’
Zijn macht wordt onmacht
Jezus verliest geen moment uit het oog wie Hij is en wat Hij moet doen. Hij zet zich voortdurend in voor anderen. Toch zal Hij de macht die Hij over het leven heeft op een bepaald moment aanwenden voor zichzelf. Maar niet zoals je misschien zou verwachten, door zichzelf van alle ellende die Hem wordt aangedaan te bevrijden of wraak te nemen op zijn tegenstanders. Integendeel, Hij geeft zich juist aan hen over. Zo geeft Hij zijn macht over zijn leven uit handen. Zelf veroordeelt Hij niemand, maar Hij laat wel over zichzelf het oordeel voltrekken. Met een verrassend resultaat. Het blijkt dat Hij het leven beheerst als zijn eigen adem. Hij kan het afleggen en weer oppakken, heeft Hij gezegd. ‘Dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb gekregen,’ zei Hij, ‘daarom heeft de Vader Mij lief.’ Dat zien we inderdaad als Hij zich op drieëndertig jarige leeftijd overgeeft in de handen van mensen die Hem zullen doden, maar na drie dagen weer opstaat uit de dood.
Jezus sterft omdat Hij dat zelf wil. Compleet weerloos stelt Hij zich op, maar zonder uit het oog te verliezen wie Hij is. Hij geeft zijn leven in het besef hoe geliefd Hij is door zijn Vader en dat die liefde alles zal overwinnen, zelfs de dood. Het is Gods Geest die dit binnenin Hem zegt en daar houdt Hij in de crisis aan vast. Als Hij zichzelf ten slotte moet opgeven, geeft Hij zich niet over aan wanhoop of angst, maar aan de bron die in zijn bestaan altijd de stroom van liefde op gang hield: aan zijn hemelse Vader. Daarom zijn Jezus’ laatste woorden aan het kruis: ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn Geest.’ Want het is deze Geest die diep vanbinnen in Hem blijft zeggen dat Hij de Zoon van God is – en dat ook zal blijven. En dat is zijn redding. Hij legt zijn leven af en pakt het inderdaad ook weer op. Door de kracht van deze Geest overwint Hij de dood.
De wil van de Vader
Er zit een onafwendbare dynamiek in alle beschrijvingen van zijn leven: die moest uitlopen op zijn uiterst dramatische vernedering. Maar waarom? Het was ‘de wil van de Vader’, zoals Hij zelf had gezegd. Tegelijkertijd zien we een verbazingwekkende paradox. ‘De Mensenzoon wordt nu tot majesteit verheven,’ zei Hij over zijn kruisiging. Dat wil zeggen: deze gekruisigde is op hetzelfde moment Koning. Daarom was zijn lijden geen anticlimax, maar juist de climax van heel zijn levensweg. Achteraf zegt Hij dan ook tegen zijn reisgenoten onderweg naar Emmaüs: ‘Móest de Messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?’
Juist in dat lijden is dus zijn glorie gelegen. Daarom is de voorstelling van Jezus aan het kruis, de crucifix, het ultieme eerbetoon.
Die ene reden voor de kruisiging
Er is door de apostelen achteraf veel nagedacht over de vraag waarom Jezus gekruisigd moest worden en moest sterven, en waarom juist dat zijn glorie was. Jezus heeft daar zelf direct en indirect allerlei redenen voor gegeven. De apostelen hebben die naderhand in hun eigen bewoordingen in hun brieven genoteerd. De Amerikaanse theologe Fleming Rutledge (1937) telt er acht.
1. De apostelen zeggen bijvoorbeeld: omdat God wilde bewijzen dat Hij van ons houdt. ‘God bewijst ons zijn liefde,’ schrijft Paulus, ‘doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.’
2. Ook om ons te reinigen van de zonde. Gelovigen worden door de apostelen nergens meer ‘zondaars’ genoemd (behalve dat ze dat waren). Wel ‘heiligen’. Johannes schrijft: ‘Het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonden.’
3. Verder: om de prijs te betalen waarmee Hij ons loskoopt uit de slavernij, van het moeten voldoen zonder dat het ooit genoeg is. Jezus zei zelf: ‘De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’
4. Om de spiraal van veroordeling te verbreken. Paulus schrijft: ‘Er is dan nu geen veroordeling meer voor hen die in Christus Jezus zijn.’
5. En ook om ons te bevrijden van de macht van de dood. Zoals we lezen in de Brief aan de Hebreeën: ‘Omdat die kinderen mensen zijn van vlees en bloed, is de Zoon mens geworden als zij, om door zijn dood definitief af te rekenen met de heerser over de dood, de duivel.’
6. Jezus gaf zijn bloed om in de kosmische strijd de overwinning over de satan en zijn trawanten te behalen. ‘Hij heeft zich ontdaan van de machten en krachten, Hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en over hen getriomfeerd,’ schrijft Paulus.
7. Zijn overgave was ook nodig om de ruil te voltrekken waardoor mensen nu Jezus’ plaats mogen innemen. Weer Paulus: ‘Ter wille van ons heeft God Hem die de zonde niet kende één gemaakt met de zonde, zodat wij in Hem rechtvaardig voor God konden worden.’
8. Zijn kruisdood was noodzakelijk om nieuwe mensen te creëren die vol zijn van Gods Geest. Het is ook weer Paulus die schrijft: ‘De eerste mens, Adam, werd een levend, aards wezen, de laatste Adam (hij bedoelt Jezus) een levendmakende Geest.’
Maar de belangrijkste reden omvat al deze punten: om zijn Vader veel kinderen te geven.
Omdat de Vader kinderen wil
De apostelen hebben gezien dat het in heel de Bijbel draait om dit thema: dat God de Vader is die kinderen wil, veel kinderen. Die visie op God en mensen zit van begin af aan in het ‘Boek der Boeken’ verborgen. Gelijk al op de eerste bladzijden van de Bijbel lezen we dat God wil dat Adam en Eva zich zullen vermenigvuldigen en dat hun nageslacht de aarde zal vullen, zodat God veel kinderen zal krijgen, mensen ‘naar zijn evenbeeld’.
Maar dat is niet vanzelfsprekend; er zijn tegenkrachten die dit plan willen ondermijnen. Er is een tegenstander die overwonnen moet worden. In Genesis wordt een tipje van de sluier opgelicht waar deze strijd op uit zal draaien. Het zaad van de vrouw zal de kop van de slang vermorzelen, lezen we. Het klinkt vreemd: ‘zaad van de vrouw’ – totdat je begrepen hebt hoe Maria zwanger werd, namelijk door de Geest, dus zonder toedoen van een man. ‘De slang’ is in de Bijbel beeldtaal voor de duivel, de ‘mensenmoordenaar vanaf het begin’, zoals Jezus hem noemt. Op de laatste bladzijden van de Bijbel heeft deze slang zich zo volgevreten met alle zonden van mensen waarmee hij hen aanklaagt dat hij is uitgegroeid tot een draak. Hij wordt in een poel van vuur en zwavel gegooid, lezen we. Dit is het moment waarop Jezus zijn heerschappij vestigt.
Jezus neemt in deze hele ontwikkeling dus de belangrijkste plaats in. Hij heeft de hoofdrol in deze strijd om mensenlevens op zich genomen. ‘Zie hier ben Ik om uw wil te doen, o God, in de boekrol staat over mij geschreven,’ lezen we in de Psalmen. In de brief aan de Hebreeën wordt deze uitspraak betrokken op Jezus. We horen hetzelfde uit Jezus’ mond als Hij in de nacht van zijn arrestatie worstelt met wat komen gaat en zich overgeeft aan zijn Vader: ‘Laat niet mijn wil maar uw wil gebeuren.’ Dat gebed wordt verhoord ter wille van ons. Wat onmogelijk leek heeft Hij mogelijk gemaakt. Paulus zal later over die wil schrijven: ‘Hij heeft ons voorbestemd om naar zijn wil en verlangen door Jezus Christus zijn kinderen te worden.’
Welke wil in de wereld is sterker dan Gods wil? God als Vader wilde ons als zijn kinderen. Welk verlangen is groter dan Gods verlangen? God verlangde naar ons als zijn kinderen. Van begin af aan wilde Hij dat we zouden weten dat Hij onze Vader is en hoe Hij dat wil zijn. God had Jezus in gedachten om Hem daarvoor in te zetten zodra de tijd rijp was. En Jezus was daar klaar voor, ter wille van ons, zodat het plan van de Vader zou slagen. Paulus schrijft dan ook: ‘Maar toen de bestemde tijd gekomen was, zond God zijn Zoon. Hij werd geboren uit een vrouw en onderworpen aan de wet, om ons die onderworpen waren aan de wet vrij te kopen. Zo zouden wij als kinderen aangenomen worden. En omdat wij zijn kinderen zijn heeft God in ons hart de Geest van zijn Zoon gezonden, die “Abba, Vader!” roept.’
Die kinderen zijn zijn glorie
In zekere zin kunnen we Jezus’ leven zien als een test: of het Hem als mens lukt om met God als Vader te leven. Alleen als Hij tot het uiterste volhoudt kan Hij laten zien wie God als Vader is. Zijn kruisiging is de ultieme beproeving. En Hij slaagt. De Vader vraagt om gehoorzaamheid, de Zoon is Hem inderdaad in alles gehoorzaam. Hij is één en al bereidwilligheid, zelfs oog in oog met de dood. Zijn grondhouding is hineni, ‘Hier ben Ik.’ Hij laat zich niet dwingen door de machten om Hem heen of misleiden door zijn eigen angsten, maar blijft zich onderwerpen aan Gods orde. Ook als de veroordeling voltrokken wordt en zijn Vader Hem verlaten heeft blijft Hij met Hem verbonden. Zijn vraag: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’ beantwoordt Hij zelf met: ‘In uw handen beveel Ik mijn Geest.’
Die overgave wordt Jezus’ overwinning. Vanaf het kruis heeft een grandioze verandering plaatsgevonden in het bestaan van mensen. ‘Wanneer Ik van de aarde omhooggeheven word, zal Ik iedereen naar Mij toehalen,’ zegt Jezus. Hij heeft het hier over zijn kruisiging, verduidelijkt de evangelieschrijver Johannes. Kijken we naar dit kruis, dan zien we dat God in het diepste dieptepunt van de geschiedenis aanwezig is en daar het hoogste hoogtepunt viert. Nergens kan het kwaad voortaan nog iets opeisen, Jezus is er altijd bij. In de meest moordzuchtige haat toont Hij zijn onoverwinnelijke liefde. Ook al proberen kwade machten het leven te nemen, Jezus blijft het geven. Daarmee bewijst God zijn gelijk: Hij is de Vader die trouw blijft aan zijn kinderen en hen het leven geeft, het leven dat Hij hen gunt.
Aan het kruis: hoog verheven
God nam de verantwoordelijkheid op zich van alles wat in deze wereld slecht is, om het te overwinnen. Jezus heeft daar aan het kruis voor gezorgd. Het allermooiste is bereikt via het allerergste. De beste mens werd in het meest slechte ondergedompeld. Juist daarom heeft Hij de grootste overwinning behaald die maar denkbaar is. Beter gezegd: die onmogelijk door iemand bedacht had kunnen worden, behalve door God, die onze Vader is.
Jezus is Gods gelijk. Jezus aan het kruis. Daar zien we zijn glorie. Daarom heeft God Hem juist daar hoog verheven, schrijft Paulus. Heeft Hij juist daar het hoogste gezag ontvangen. De naam boven alle naam. Om dat te vieren werd in de eerste gemeenschappen van volgelingen van Jezus dit lied gezongen:
‘Hij, die de gestalte van God had,
maakte er geen aanspraak op om aan God gelijk te zijn.
Hij deed juist afstand van zijn positie
en nam de gestalte van een slaaf aan.
Hij werd gelijk aan de mensen,
en toen Hij verscheen als mens,
heeft Hij zich vernederd
en werd gehoorzaam tot in de dood
– de dood aan het kruis.
Daarom heeft God Hem hoog verheven.
Hij heeft Hem de naam boven alle naam gegeven,
opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen,
in de hemel, op de aarde, en onder de aarde,
en elke tong zal belijden:
“Jezus Christus is Here!”
tot eer van God, de Vader.’
Willem de Vink
Lucas 2:49; Lucas 23:34; Johannes 10:17; Lucas 23:46; Romeinen 8:11; Johannes 12:23; Lucas 24:26; Romeinen 5:8; 1 Johannes 1:7b; Marcus 10:45; Romeinen 8:1; Hebreeën 2:14-15; Kolossenzen 2:15; 2 Korintiërs 5:21; 1 Korintiërs 15:7; Genesis 1:28; Genesis 3:15b; Johannes 8:44; Openbaring 12:9; Openbaring 20:10; Psalm 40:7-9; Hebreeën 10:7; Matteüs 26:39; Efeziërs 1:4-6; Galaten 4:4-6; Matteüs 27:46; Lucas 23:46; Johannes 12:30-36; Filippenzen 2:6-11.

