De kleine overwinnaar

Door Willem de Vink

Soms loop je door het bos en kom je op een plek waar je opvallend veel vogels hoort fluiten. Meestal is het een open plek in het bos, waar al die vogels zich verzamelen. Precies op zo’n plek hadden de vogels van het Grote Vogelbos hun startplaats geïnstalleerd voor een grootschalig georganiseerde marathonwedstrijd. Er was een kilometerslange route uitgezet en de beste volhouder zou als kampioen gehuldigd worden.
Een bonte menigte vogels was komen opdagen. Vogels van allerlei pluimage. Felgekleurde vogels, schutkleurspecialisten, nestvlieders, scharrelaars, dwaalgasten, toppers. Ze waren allemaal gekomen om hun krachten te meten. Er waren vogels bij met een imposante verschijning: de sperwer, de secretarisvogel, de lammergier. Vogels met een wereldwijde reputatie. De kraanvogel bijvoorbeeld, de kakatoe, de postduif. Slimme vogels als de notenkraker, de wespendief en de wielewaal. En vogels met een afgetraind lijf, zoals de trapgans, de strandloper en de kemphaan. Er waren ook vogels met gestroomlijnde snavels en vogels met opvallend glimmende vleugels. Vogels, allerlei soorten vogels, allemaal klaar voor de wedstrijd, stonden te trappelen, te klapwieken en te puffen op hun startplaats. En tussen al die vogels stond Wink de vink.

Winkie werd hij genoemd. Hij was de kleinste onder de deelnemers. De kleinste, de fijnste, de lichtste. Niet meer dan een bolletje veren op pootjes. Maar hoor eens wat hij riep. ‘Ik ga winnen!’ riep hij. ‘Hé, pas op, ik ga winnen!’

Je kunt je wel voorstellen hoe de vogels om hem heen reageerden.
‘Nou ja,’ bromde de ral, ‘jij blaast nogal hoog van de toren!’
‘’t Is niet waar,’ sputterde de mannetjesputter, ‘spuit elf geeft modder!’
‘We blazen je zo omver,’ smaalde de spotvogel. ‘Hoei!’
‘Weet je wat? We zullen bij de finish op je wachten,’ riep de tureluur. ‘Maar niet langer dan een uur.’
Er werd gekakeld en gekokkeld en naar hem gewezen.
‘We are the champions, we are the champions,’ zong de pestvogel die zich naar Winkie toe boog en een vleugel om zijn schouder sloeg. ‘We are the champions, my friend.’
De bonte specht begon te hinniken van het lachen en iedereen lachte mee. Het bos werd gevuld met lachsalvo’s en fluitconcerten. De vogels hadden er plezier in. Zo’n kleine, die zo hoog van zichzelf opgaf!
‘En toch ga ik winnen,’ zei Wink de vink, nadat iedereen tot bedaren was gekomen. ‘Jullie zullen het zien!’

Het startschot klonk. Alle vogels vlogen op en stoven weg. In de warboel van dons, veren en stofwolken dwarrelde Winkie omhoog. Zijn snavel zat vol stof. Zijn verenkleed was verfomfaaid. Hij had moeite om overeind te blijven. Met zijn kleine vleugels was hij geen partij voor de andere vogels. In de eerste minuten raakte hij al hopeloos achterop. Hij kon nauwelijks boven de bomen uit komen – maar dat was hij ook niet van plan. Hij keek omhoog naar de bergen en gaf een minimaal hoorbaar signaal.
Daar kwam een schaduw naar beneden gegleden. Een enorme vogel kwam als een goudkleurig vliegdekschip dichterbij. Een arend. Hij dook onder Wink de vink en tilde hem op zijn rug. De kleine vogel voelde de stille kracht van de opwaartse beweging van de arend en vouwde zijn vleugeltjes dicht. Hij verborg zich in de vorstelijke kraagveren van de reuzenvogel, terwijl die met wijd uitgespreide vleugels hoger en hoger cirkelde, gedragen op een stroom onzichtbaar stijgende warme lucht.

Ver voor hen uit vloog in de diepte de menigte marathonvliegers.
‘Niet meer gezien, die vink,’ zeiden ze tegen elkaar. ‘En niets meer van gehoord.’
‘Zeker verongelukt. In botsing gekomen met een vlieg of een mug.’
‘Of een windvlaag.’

Nog steeds zweefde de arend hoger en hoger, met het vinkje op zijn rug. Ze lieten de wolken ver beneden zich en stegen op de thermiek onder een strakblauwe hemelkoepel omhoog…
Toen draaide de arend zijn slagpennen. Zoef! Wink de vink voelde in zijn buik dat ze met duizelingwekkende snelheid vooruit schoten.

Onder hen klauwden de andere vogels door weer en wind, verkrampt en kromgebogen in hun strijd tegen de elementen. Steeds meer van de vliegers raakten achterop. Vooral de dikkere exemplaren en kleintjes hielden het niet langer vol: de koekoek, de huismus en allerlei soorten stadsvogels. Maar ook de postduif moest afhaken, als eerste van een hele reeks professionele topsporters die van hun hobby hun beroep hadden gemaakt. Allerlei kanshebbers gaven het op. De knobbelzwaan zakte terug, de havik, de hop, en zelfs de gierzwaluw, die toch zijn hele leven lang vliegt en nooit een poot aan de grond zet.
De afvalrace was begonnen. Er bleef een kopgroep over met alleen maar echte, doorgewinterde lange-afstandsvliegers. Daarin zaten de albatros, dat vliegwonder met een vleugelspanwijdte van wel drie meter; de stormvogel, die het zelfs midden op zee vol weet te houden; de noordse stern, die ieder jaar van pool tot pool vliegt; en de goudplevier natuurlijk, die als geen ander gaat voor goud. Ze kenden allemaal de hindernissen die de natuur kan opwerpen. Ze wisten ook allemaal van de krachtsinspanningen die vereist worden om overeind te blijven. Ze kenden het uit eigen ervaring. Het waren volhouders, kanjers, doorbijters. Maar kijk hoeveel moeite ook deze vleugelvechters en vliegwonders hadden met de marathon. Op volle snelheid doorzetten in striemende regens en tegenwinden was voor de meesten teveel gevraagd.

Hoog in de lucht ging het er heel anders aan toe. Terwijl daar beneden gezwoegd werd, zeilde de arend hoog boven alle wisselende weersomstandigheden door de lucht. De koning onder de vogels scheerde voorwaarts en liet al zijn concurrenten ver, ver achter zich.

Het eindpunt kwam in zicht. Wink de vink voelde in zijn maag dat de arend aan de afdaling was begonnen. Hij wipte uit het verenkleed van zijn drager. De arend zwenkte af en verdween. De juryleden (pinguïns in zwart-witte pakken) zagen een klein vogeltje over de finish fladderen: een donzen bolletje met vleugels bros als berkenblaadjes.

‘Ik ben d’r!’ riep Winkie. ‘Gewonnen!’

En zo was het. De jury kon er niets anders van maken. Ook al was deze vink geen imposant figuur en leek hij niet moegestreden, hij was wel de eerste vogel die over de finish was gekomen. Dus vulden ze de formulieren in. Wink de vink. Overwinnaar.

Uitgeput kwamen de andere deelnemers over de finish, de een na de ander. Er werd gemopperd en gediscussieerd. Was het wel eerlijk hoe die vink had gewonnen, vroegen ze zich af. Maar de jury bleef bij zijn besluit: ‘Hij is meer dan overwinnaar!’