116. Kunst moet het heiligdom uit

Er bestaat een hechte samenwerking tussen kunstenaars, priesters en profeten. De apostelen stond een kunstwerk voor ogen als ze het hadden over de kerk als een bouwwerk. Zij dachten als echte Joden namelijk niet zozeer aan een huis, maar veel meer aan hun tempel. De tempel van Salomo in Jeruzalem was een waar kunstwerk. Het was een enorm gebouw op de berg Moria in Jeruzalem, dat afgeleid was van de mobiele tabernakel uit de woestijn, dat ontworpen was door de kunstenaar Bezaleël. Het vervulde dezelfde functies: alles moest inspireren. En die inspiratie moest naar buiten toe. 

In de beschrijving van de tempelbouw in de Bijbel kun je lezen dat koning Salomo de opdracht gaf om de stenen muren van het heiligdom te bedekken met hout. Kunstenaars maakten panelen van cederhout, waarop zij kunstzinnige afbeeldingen uitsneden. Daarna overtrokken ze hun kunstwerken met bladgoud.
In de Talmoed wordt verteld dat de muren van het heiligdom binnen een paar dagen werden volgehangen met deze gouden platen. Maar ze waren niet alleen bedoeld om daar binnen in de tempel God en de priesters een plezier te doen. Als het volk zich verzamelde voor de tempelfeesten, namen de priesters de wandplaten van de muren en plaatsten ze op de trappen van de Tempelberg. Nu kon iedereen die bij Gods huis arriveerde ze zien. Volgens de rabbi’s wilde God deze kunst namelijk niet voor zichzelf houden. Het was zijn bedoeling dat alle pelgrims het vakmanschap zouden bewonderen en zouden genieten van hun schoonheid en perfectie. Tegelijkertijd werd het volk met deze visuele ervaring ingewijd in de geheimen van het heiligdom dat ze zouden betreden.

Op de wandplaten van de tempel stonden cherubs, palmen, takken en bloemen afgebeeld. Ze betekenden meer dan wat ze op het eerste gezicht leken, en ze hebben nog steeds betekenis voor ons.
De cherubs zijn hemelwezens die ons helpen om ons de sfeer waarin God aanwezig is voor te stellen. Ze geven uitdrukking aan Gods grootheid door voor Hem te buigen.
De dadelpalm slaat op de tsadik, de rechtvaardige. Hij mag in Gods aanwezigheid zijn om te groeien in zijn ontwikkeling. In de Psalmen wordt de groei van een rechtvaardige wel vergeleken met de groei van een palmboom. De dadelboer legt in de kruin van de jonge palmboom een steen, zodat hij door de tegendruk een sterkere stam zal krijgen.
De palmtak, de loelav, is onderdeel van de waaier waarmee tijdens de feesten pelgrims zwaaien om God lof toe te zingen. Mensen zijn geschapen om zich te verwonderen en dat te uiten door te aanbidden. Daarom ook werd Jezus met gezwaai van palmtakken binnengehaald als koning van de Joden in Jeruzalem. Hij is degene om te bewonderen en aanbidden. In Openbaring lezen we dan ook dat straks mensen uit alle volken met net zulke takken zullen staan te zwaaien voor Gods troon.
De bloemen in de voorstelling zijn een beeld van uniciteit en schoonheid. Hun geur is niet alleen aangenaam voor ons, maar ook voor God. Ze staan voor een nieuw begin, een nieuw leven, wat verwijst naar de opstanding van Jezus en onze opstanding met Hem. Wij zijn een geur van Christus, schrijft Paulus.
Het goud van de platen verwijst volgens Openbaring direct naar Jezus. Het is zijn gelouterde goud dat wij van Hem mogen kopen, lezen we. De prijs ervoor heeft Hij zelf betaald, Hij betaalde ervoor met zijn leven. Met zijn goud zijn we in Gods ogen van Jezus’ kwaliteit, omdat we ­– met de woorden van Paulus – Gods gerechtigheid zijn in Hem. We zitten als het ware met Jezus als een prachtig kunstwerk in het gouden geheel verpakt, zoals de twaalf edelstenen op de borstplaat van de hogepriester als beeld van de twaalf stammen van Israël ook in goud waren vervat.
Net als deze platen in de tempel hebben we onze plek in Gods huis. Sterker nog, volgens het Nieuwe Testament zijn we zelf zo’n tempel, met onze eigen gouden platen. We zijn Gods meesterwerk en mogen dat laten zien aan onze omgeving.

Ik word er blij van als ik bedenk dat er zoveel inspirerende kunst in de tempel aanwezig was. Dit betekent dat er kunstenaars waren die dat konden maken, en dat er visie was om deze kunst te realiseren en een plek geven. Ik ben ook verrast met de verklaring in de Talmoed dat priesters deze kunstwerken blijkbaar eeuwenlang naar buiten hebben gebracht om op straat aan het grote publiek te tonen. Het was zoals God tegen de profeet Habakuk zei: ‘Schrijf mijn boodschap – de rechtvaardige zal door gelóóf leven – op grote platen, zodat mensen het in het voorbijgaan kunnen lezen.’ Ze gaven daarmee het signaal af dat God met kunst naar ons toe komt. Als we vandaag de dag net zo’n samenwerking tussen kunstenaars, profeten en priesters zien, weten we dat God in ons midden is.

Nalezen: 1 Koningen 6:14-18; 2 Kronieken 3:3-7; Habakuk 2:2; 1 Korintiërs 3:16-17; 6:19-20. 

Voor meer over kunst op deze website zie Artikelen, Beeldmeditaties en Preken.

Willem de Vink