Het gesprek tussen Frank en Wink

Door Willem de Vink

Waarin de kleine overwinnaar Wink de vink en Franky Frog hun ervaringen uit twee eerdere verhalen uitwisselen…

FRANK: Ik heb me toch genoten, deze vakantie! Man, je moest eens weten. Warm dat het daar was – supergaaf. Zie je niet hoe m’n huid glimt? Kijk, zie je? De beste keus die ik kon maken. Mooi uitgekiend. Daar ben ik best wel trots op, ja. Die reis alleen al: nou, dat was genieten geblazen! Echt ge-nie-ten. Had ik ook wel verdiend, natuurlijk. Ik werk hard moet je weten, altijd op het randje. Het is beredruk in de plantsoenendienst, alle seizoenen door. Dus was ik er echt aan toe, hè. Effe tijd om mezelf te verwennen, hahaaa, rrra-rrro! Ik had me natuurlijk uitstekend voorbereid; op zo’n reis laat ik niks aan het toeval over, wat denk je. Routeplannertje d’r bij, effe op internet kijken, op tijd inchecken. Hop, daar vlogen we. Zeg – heb jij ook gevlogen?

WINK: Gevlogen? Ja, tuurlijk.

FRANK: Vliegen, daar krijg ik toch zo’n kick van. Door de lucht, zóóóó gaaf! Ging precies zoals ik had gedacht. Lekker bungelen, leuk vaartje, windje om me heen. Heel relaxt. Alleen die vogels, hè. Kijk, ik ben van nature een levensgenieter. Hou van mooie spulletjes, lekkere dingen enzo. Maja, als ik zit te genieten moeten ze niet aan m’n kop komen zeuren.

WINK: Bungelde jij? Ik zat veilig tussen de veren van mijn vriend.

FRANK: Ze zagen me van een afstand al aankomen, ja. Dat heb ik nou altijd, ik val nu eenmaal op hè. Ook in de lucht bij al die vogels. Zelfs al zeg ik niks, dan straalt het nog van me af. Uitstraling, dat heb je of dat heb je niet.

WINK: Vogels kwamen wij onderweg ook tegen. We vlogen te hoog om ze te kunnen zien, maar het moeten er honderden zijn geweest die we voorbij zijn gevlogen.

FRANK: Nou, die bij mij begonnen om m’n kop te kwetteren en te fluiten, hartstikke irritant. Rare vogels waren het, van die heetgebakerde zuiderlingen, weet je wel. En brutaal, jongen! Ik hield wijselijk m’n mond – ben best beheerst, moet je weten – maar ik had wel willen schreeuwen dat ze hun bekken dicht moesten houden. Tjiepetjiepetjiep, fietefietefiet, niet normaal meer, ik kon geen oog dicht doen.

WINK: Kon je onderweg niet eens even slapen?

FRANK: No way. Geen moment. Ik voelde me echt hangen tussen die vogels. Maar ik ben trots op mezelf dat ik me niet heb laten gaan.

WINK: Tjonge. Mijn reis was anders heel ontspannen. Ik hoefde me geen moment zorgen te maken. Ik kon dutten wanneer ik wilde, m’n benen even strekken met een wandelingetje over de volle spanwijdte van de vleugels van mijn helper, en als ik wilde een stukje meevliegen. En dan die wind die ons droeg. Je voelde geen zuchtje weerstand.

FRANK: Nou, ik heb me niet laten gaan, totdat die ene naar me pikte. Zo’n vogel met zo’n grote gele snavel met van die kartelranden. Gemene oogjes dat ie had, irritant gewoon.

WINK: Werd je gepikt?

FRANK: Uhuh. Toen moest ik wel loslaten, hè. Daar ging ik, rrroetsj, zoef, platsj, finaal in de modder.

WINK: Ben je gevallen? Nee toch, wat triest. Dat jou zoiets tijdens je vakantie moest overkomen!

FRANK: Zielig hè. Balen! En ik had nog wel zulke mooie plannen. Ik had het ook zo goed voorbereid. Alles pico-bello voor mekaar. Het is allemaal de schuld van die stomme vogels; ze hebben geen greintje respect.

WINK: Dat vind ik hartstikke sneu voor je.

FRANK: Ja, strontvervelend. Ik ben er nog steeds behoorlijk ondersteboven van, weet je. Als ik zing, zit er af en toe zo’n bibber in m’n stem. Hoe moet dat nou straks in ’t kikkerkoor?

WINK: Hmmm. Jij kunt met die stem van jou heus wel voor de dag komen hoor.

FRANK: Vind je? Dank je. Dat doet me goed om te horen; ik zing zo graag, weet je. Rrrro, rrrra. En ik kan het ook zo goed. Ik zing boven iedereen uit.

WINK: Als je het niet erg vind neem ik nu afscheid. Ik word zo opgepikt. Doe ze de groeten in het plantsoen. Nou doei hè.

FRANK: Ja, doei… Zeg – wat ik nog zeggen wou. Wel bizar dat jij je laat dragen. Heb je zelf nog wat in te brengen? Niet om het een of ander hoor, maarre… ik hou het liever zelf in de hand. Of in de bek. Je weet wel, hè. Zo ben ik. Ik!