30. De meeuwenkerk
Onder meeuwen zie ik een bijzonder soort broederschap. Ze leven bijna altijd in onderlinge strijd.
Elk moment van de dag kan ik ze boven onze kade zien zweven: vleugels gestrekt, op onzichtbare golven in glijvlucht. Ik hoor ze kirren als baby’s, lachen als oude kerels, hoog en schril uithalen als gillende meiden. Hun lijven steken wit af tegen willekeurig welk hemelgewelf, als afgeslankte vredesduiven. Maar plotseling zitten ze elkaar om onverklaarbare redenen achterna. Dan lijken ze meer op sikkels die het luchtruim doorsnijden.
Hoewel ze hun bestaan best alleen kunnen uitvogelen, doen ze zich vooral gelden in clubjes. Soms hangen ze met z’n vieren of vijven doelloos in de lucht, ronddraaiend in slordige cirkels, buitelend over elkaar; een volgend moment stijgen ze op, sneller dan een vuurpijl, alsof ze voor de opname oefenen. Niemand weet waarom, niemand weet waartoe.
Regelmatig scheren ze met spiedende blik langs mijn raam. Als ik ze nakijk, zie ik hoe ze met kwikzilver gemak de open ruimte boven de Oude Maas in zeilen, om daarna als bij toverslag uit het zicht te verdwijnen. Maar niet voor lang: net zo plotseling als ze vertrokken, duiken ze ook weer op. Waarvandaan weet niemand – maar waartoe is overduidelijk. Zelfs een kind kan bedenken dat er in de buurt iets eetbaars te halen valt.
Het nieuws gaat met de snelheid van een blikseminslag rond. Eten! Wat voor eten maakt niet uit. Ook om de kruimels die een autojunk naar buiten heeft gekieperd wordt gevochten. De meeuwen zoeven, kantelen en tuimelen langs daken en muren omlaag. Nog voordat de verschrikte voetganger een stap opzij heeft kunnen zetten, bezetten ze de straat.
De stoep verandert in een golvende chaos. Het lijkt wel oorlog. Kijk hoe de vogels onderling bakkeleien. Hoor hoe ze naar elkaar kliauwen. Ze mokkelen, kreunen, keffen, janken, schreeuwen en krijsen om het hardst. Het kabaal overstijgt het stadsgedruis.
‘Voor mij! Voor mij!’ lijken ze te roepen. Hun ogen spuwen vuur, met hun snavels fakkelen ze om zich heen, hun vleugels worden gebruikt als hakkende ellenbogen. Sommige exemplaren trappelen als trommelslagers in het rond om ruimte voor zichzelf te creëren, anderen staan met schuddende kop de buit in hun krop weg te werken. Een enkeling lijkt er genoeg van te hebben en wiekt met brede vleugelslagen weg, om zich vervolgens te bedenken en om te keren. Opnieuw stort hij zich in het gewoel, in duikvlucht, vleugels uiteen, snavel vooruit. Om te eten!
Het is de vraatzucht. Een kakelende bende, ieder voor zich, om maar niets tekort te komen. Totdat de vogels van het ene moment op het andere het luchtruim kiezen, gezamenlijk deze keer, als kameraden na een fluitsignaal. Waarom die plotselinge omslag, ontgaat de toeschouwer. Weg wieken ze, zonder te mopperen, alsof er niets aan de hand was. Alsof alles wat er te halen viel eerlijk verdeeld werd en iedereen nu tevreden kan vertrekken. De ruzies die vandaag werden uitgevochten in de lucht, in de straat en op het water lijken bijgelegd. De zon mag blijkbaar niet ondergaan over hun toorn.
Vandaag zag ik ook hoe eendrachtig meeuwen kunnen zijn, als ze een vijand tegenkomen. Ik was er getuige van dat ze met z’n allen op een drone doken, die vanaf de Erasmusbrug was opgelaten. Ze verjoegen het ding alsof ze de duivel uitdreven.
Zo zijn meeuwen. Altijd op hun hoede, altijd uit op eigen gewin, maar ook af een toe broederlijk samen. Ze lijken op mensen, net zo losjes in groepen, net zo geslepen als het gaat om hun voordeel, net zo eensgezind in het zoeken naar veiligheid en rust.
Meeuwen zijn de meest wakkere onder de vogels, de meest humeurige ook, met elk een eigen geluid om zich te onderscheiden.Er leeft zelfs een kunstenaar onder hen, die zich op een hoogst persoonlijke manier doet gelden. Hij weet altijd wel een reactie los te krijgen, wanneer hij zijn abstracte kunstwerk op de schouder of het hoofd van een niets vermoedend mens mikt.
Willem de Vink

