Checko is de naam

Door Willem de Vink

De wekker ging. Checko zat meteen rechtop: dit zou zijn dag worden! Hij sprong uit bed en trappelde een vreugderoffel op de grond. Ja, hij zou het baantje krijgen waar hij van gedroomd had. In de reclame!

Hij had er goed over nagedacht. Hoe kom je in de reclame? Door te laten zien dat je reclame kunt maken. Dat je iets of iemand binnen de kortste keren beroemd kunt maken. Naamsbekendheid, daar draait het om. Dat had Checko de vorige avond bedacht, toen hij zijn dekbed tot onder zijn neus trok, nadat hij tegen zichzelf gezegd had dat hij niet langer vakkenvuller in de supermarkt wilde zijn. Geen dom werk meer doen, maar flitsend bezig zijn, dat wilde hij. Ha! Hij zou er komen. Hij wist wel hoe. En monter deed hij zijn ochtendplas. Hij kleedde zich in zijn beste kleren, smeerde zijn haar vol gel, en vloog op zijn scooter naar het reclamebureau in de binnenstad. Hij duwde de glazen deuren open en vertelde de dame achter de glimmende balie dat hij de directeur wilde spreken.

‘Waar willu m’neer voor spreken?’ vroeg de dame.

‘Voor een gewichtig geval,’ zei Checko.

‘En wie kan ’k zeggen dadderis?’ vroeg ze.

‘Checko Checkerico,’ zei Checko.

De glimmende dame knikte minzaam en zei: ‘Ogenblikje; gaadudaar maar euve zitten.’

Checko ging in de hal zitten en bedacht dat zelfs reuzen hier zouden verdwalen. Toen kwam de directeur uit een van de negen liften getrippeld.

‘Hallo-wat-moet-je-weinig-tijd,’ zei hij.

‘Ik wil bij u in de reclame komen werken,’ antwoordde Checko.

‘Diploma’s?’ vroeg de directeur.

‘Nee mijnheer,’ zei Checko.

Ervaring?’

‘Ook niet.’

‘Aanbevelingen?’

‘Ja, dat wel. Ik beveel mezelf aan. Checko is mijn naam. En ik weet hoe je iets in één klap beroemd kunt maken, mijnheer. Ik kan het bewijzen. Als mijn naam morgen overal in de stad bekend is, ben ik dan aangenomen?’

De reclamedirecteur keek hem strak aan. Er verschenen lichtjes in zijn ogen.

‘Akkoord,’ zei hij. ‘Checko is morgen bij iedereen in the picture – en anders wil ik je nooit meer zien. Nu moven!’

De jongen drukte de poezelige hand van de directeur. Daarna sjeesde hij op zijn scooter naar de supermarkt en vertelde de filiaalhouder dat hij een ander baantje zou krijgen.

Fluitend vulde hij op zijn laatste dag de schappen. Na sluitingstijd at hij een pizza met champignons en salami. Hij dronk er een cola-light bij en deed intussen wat belletjes. Daarna ging hij naar huis en keek een filmpje.

Het werd donker in de stad. Rond een uur of elf verzamelden zich een stuk of tien jongens op scooters en motors voor Checko’s huis. Toen Checko met een doos naar buiten kwam, ging er een gejuich op. Hij verdeelde de inhoud van de doos, gebaarde allerlei kanten op en riep boven het geronk van de motoren uit nog enkele bevelen. De jongens zwermden uiteen. Checko verdween zelf in de duisternis richting reclamebureau. Een uurtje later keerde hij terug naar huis.

De volgende morgen heerste er een vreemde stemming in de stad. De mensen die op weg waren naar hun werk of naar school – of waar dan ook naar toe – waren opgewonden.

‘Kijk nou toch op die bushalte!’

‘En op de ruit van de bank!’

‘Moet je zien, op de motorkap van die auto!’

‘En op de muur boven het viaduct.’

‘Nee zeg! Op deze lantaarnpaal ook al.’

‘En daar, op de klok van de toren.’

‘Ach gut, daar op de vacht van dat hondje.’

‘Wa’s dat nou! Op m’n winkelruit!’

‘Checko, wie zou dat zijn?’

‘Checko, overal Checko!’

‘Zelfs op de bumper van die politie-auto staat Checko gespoten.’

‘Checko, waar je ook kijkt.’

De mensen wisten niet wat ze ervan moesten denken. Sommigen vonden het een goeie stunt, anderen verknoeierij, die naam overal opgespoten.

Ondertussen zat Checko thuis met een tosti en een glas yoghurtdrink naar de stadstelevisie te kijken. Er werd melding gemaakt van een graffitispuiter (of een georganiseerde groep spuiters – want één man kon toch niet zoveel werk in één nacht hebben verzet?), die de hele stad met de naam ‘Checko’ had beklad. Wat die naam te betekenen had kon niet met zekerheid worden gezegd; misschien werd dat duidelijk uit het politie-onderzoek dat zou volgen. De stadsreinigingsdienst was inmiddels al uitgerukt, geassisteerd door het brandweerkorps, want de stad kon er natuurlijk niet zo uit blijven zien. De wethouder van ruimtelijke ordening wilde geen uitspraak doen over de duur van de schoonmaakoperatie, maar dat het twee tot drie weken tijd zou vergen voordat alle graffiti was verwijderd en de stad gezuiverd was van de naam Checko was wel zeker, en dat justitie er alles aan zou doen de dader te berechten stond ook wel vast, ‘want het kon toch niet zo zijn dat iedereen zomaar ongestraft de stad onder spuit met een naam als Checko,’ aldus de wethouder. Checko, die naam ging van mond tot mond. Het was Checko voor en Checko na. Checko was het gesprek van de dag in de stad.

De jongen belde het reclamebureau. De dame met de zingende stem verbond hem door met de directeur.

‘En? Hebt u ’t gezien?’ vroeg hij.

‘Checko, ja gezien, ja. Ook op onze ruiten. Bekende naam geworden, ja. In één klap beroemd.’

‘Precies zoals ik gezegd had!’ zei de jongen. ‘Ben ik nu aangenomen?’

‘Aangenomen, sure. Eerlijk is eerlijk: jij je baantje. Je kunt komen. Join us.’

De jongen maakte een sprongetje in de lucht en scheurde op zijn scooter naar het reclamebureau. Daar kreeg hij een plaats achter een tafeltje in de hoek achterin een donkere gang in de kelder. Hij zat tegenover een kaal mannetje dat hem vertelde wat hij moest doen. Hij moest muizenklemmen in de kasten zetten, prullenbakken legen en tussendoor ook nog koffievlekken en schoensporen van de tafels poetsen.

Na zijn eerste werkdag wandelde de jongen door de marmeren hal met de negen liften naar zijn scooter en siste tussen zijn tanden: ‘Yes! Dit is m’n plek!’

’s Avonds stapte hij voldaan in bed. Hij pakte zijn knuffelbeer vast en stompte het beest in zijn buik.

‘Checko,’ zei hij, ‘– voortaan ben jij dat. Ja, ik geef die naam aan jou. En ik heet gewoon weer Kock, zoals mijn moeder me noemde. Dat lijkt me wel zo veilig voor een beroemdheid als ik. Checko, dat ben jij.’

En zo komt het dat niemand (behalve de reclamebureaudirecteur en een paar straatvrienden) te weten kwam wie er achter de naam Checko schuil ging, de naam die de stad een kort moment hevig in opschudding bracht. De jongen was nu voor iedereen Kock, en Checko een knuffel, veilig opgeborgen op Aries kamer.

Alleen de reclamebaas noemde Kock nog weleens met pretoogjes Checko. ‘Hello-Checko-check-de-verkoop,’ zei hij dan. Want de directeur was dik tevreden met zijn jongste aanwinst. Die deed het namelijk behoorlijk goed in de reclame. Checko, of liever Cock, ontwikkelde zich binnen de kortste keren tot junior-verkoopspecialist in allerlei soorten knuffels. In het tweede jaar van zijn reclamecarrière werd hij senior. Hij kreeg een eigen kantoor op de tweede verdieping, met een eigen computer, een planbord en een vitrine vol knuffels. En in het derde jaar zat hij op de negende verdieping in een ruim kantoor met uitzicht over de hele stad tussen honderden knuffels, waar jonge knullen de koffievlekken en schoensporen van zijn bureau mochten poetsen. Maar hoewel hij zelf de mooiste knuffels bedacht, met prachtige bestemmingen voor waspoeders, luiers, natuurfondsen en andere zaken uit de zachte sector, bleef die ene oude knuffel die hij thuis bewaarde zijn favoriet. Die was in één klap beroemd geworden, al wist (bijna) niemand wie Checko werkelijk was.