De jongen met de schellevisogen

Door Willem de Vink

De jongen met de schellevisogen kuierde over de Meent. Zijn zakken puilden uit van de stenen. Hij haalde er een uit en smeet die door een ruit bovenin een leegstaand pand. De scherven spatten in het rond. Een van de scherven raakte het oor van een oudere voorbijganger. Een andere scherf bleef steken in de kraag van een meisje met vlechtjes. Ze bloedden allebei en liepen met verwijtende blikken verder.

‘Wat nou,’ zei de jongen. ‘Ik prikte alleen maar een zeepbel door. Dat doet toch niemand kwaad?’

Ook hij wilde verder lopen, maar de scherven bleven in zijn gympen steken. Hij moest zijn voeten omzwachtelen met doeken.

De jongen met de schellevisogen liep nu op de Goudsesingel. Hij haalde opnieuw een steen uit zijn zak en smeet die door de ruit van een bovenwoning. De scherven vlogen in het rond en raakten een oude dame met een boodschappentas. Ze bloedde aan haar handen en mopperde luidruchtig.

‘Ach kom toch,’ zei de jongen. ‘Ik prikte alleen maar een zeepbel door. Dat doet toch niemand kwaad?’

Maar toen hij verder wilde lopen, gleed hij uit over de scherven, zodat ze in zijn broekspijpen en het achterwerk van zijn broek bleven steken. Hij moest zijn benen en billen omwikkelen met verband.

De jongen met de schellevisogen vervolgde zijn weg langs het Stokviswater. Hij gooide met een steen de linkerruit van een slaapkamerraam aan diggelen. De glasscherven spatten alle kanten op. Ze raakten een tienermeisje in haar been en een tienerjongen in zijn bovenarm. Er werd hardgrondig gescholden.

‘Toe zeg,’ zei de jongen. ‘Ik prikte alleen maar een zeepbel door. Dat doet toch niemand kwaad?’

Op dat moment kwam de rechterruit van het raam naar beneden gevallen en sloeg op zijn hoofd en schouders stuk. Hij moest zijn bovenlichaam en zijn hoofd omwikkelen met zwachtels.

Nu kwam de jongen met de schellevisogen op de Binnenrotte. En hij kon het niet laten: hij gooide weer een ruit stuk, deze keer van een winkelpand. De scherven verwondden drie voorbijgangers, een winkelier, een hond en een kat. Er werd langdurig gemopperd en gescholden.

‘Hou toch op,’ zei de jongen. ‘Ik prikte alleen maar een zeepbel door. Dat doet toch niemand kwaad?’

Toen gleed er van zijn ingepakte hoofd een glassplinter in zijn linkeroog en nog zo’n scherf in zijn rechteroog. Hij moest verder met verband voor zijn ogen.

De jongen met de schellevisogen waagde zich toch weer op straat en schuifelde over de Galerij. Hij graaide tussen het verband en gooide een steen in het wilde weg, die een ruit van een kantoorpand raakte. De scherven spatten alle kanten op en verwondden jongens en meisjes, volwassen mensen en bejaarden. Iedereen werd boos en er klonken verwijten in allerlei toonaarden.

‘Tut-tut-tut, niet overdrijven,’ zei de jongen. ‘Ik prikte alleen maar…’

Op dat moment sprong er een glasscherf in zijn mond, waarin hij zich verslikte en stikte. De huid rond zijn neus (het enige deel van zijn lijf dat nog zichtbaar was) kleurde eerst rood, daarna groen, toen geel, en vervolgens plofte hij op de grond. Niet lang daarna verscheen er een ambulance; en toen de broeders zich een weg door de menigte hadden gebaand en hem een spiegeltje voor de neus hadden geduwd (waar geen wolkje op verscheen, zodat ze zeker wisten dat hij dood was), werd hij tussen de scherven opgeraapt en afgevoerd. In het ziekenhuis werd de jongen van zijn zwachtels en verband ontdaan en in een bed met witte lakens gelegd. Daarna werd zijn lichaam met zeep geboend en gewassen. En juist op het moment waarop hij in een houten kist werd gelegd, ontsnapte er een zeepbel uit zijn mond.

De afleggers zeiden: ‘Kijk nou toch, die zeepbel, waar komt die in ’s hemelsnaam vandaan? Wat is dat voor een jongen?’

Die jongen met de schellevisogen? Vertel het me niet, want ik wil niet weten hoe hij heette.