De twee torens

Door Willem de Vink

Het eilandenrijk lag als een ketting edelstenen in de oceaan. Schepen naderden het kleurrijkste eiland, het schip met witte zeilen voorop. De koning vergezelde zijn zoon en dochter naar hun bestemming. Zodra zij een voet aan wal zetten, sprongen de bloemen open, juichten de heuvels, riepen de stenen, klapten de bomen en hieven de vogels en dieren een welkomstlied aan. De koningskinderen, Ando en Elda, waren uitverkoren het eilandenrijk te verzorgen vanaf dit Groene Eiland. Hun verblijfplaats was met zorg door de vader-koning uitgekozen. Hij had het eiland voorzien van twee torens. De ene toren was uit ruwe steen opgebouwd.

‘Hierin vind je alles wat nodig is om je dagelijks te oefenen voor je taak,’ sprak de koning.

De andere was een toren van water, dat nooit ophield om de aarde te doordrenken.

‘Daar blijf je van af,’ zei hij, ‘want zodra je maar een vinger uitsteekt om het water de baas te worden, zal het leven wegvloeien uit het eilandenrijk.’
Hij keek hen lang aan en zei: ‘Onthoud vooral dat ik zielsveel van jullie hou.’

Na die woorden vertrok de vader-koning. De kinderen hadden het rijk alleen. Ando en Elda gingen naar de stenen toren om zich te oefenen voor hun toekomstige taak. De onderste ruimte in de toren was gevuld met honden; de middelste ruimte was een en al duisternis; in de bovenste ruimte stond enkel een spiegel.

Zodra de kinderen de toren binnenstapten, verdrongen de honden zich om hen heen.

‘Wat komen jullie hier doen?’ vroeg de een.

‘Waar komen jullie vandaan?’ vroeg een ander.

‘Zijn jullie eigenlijk wel koningskinderen?’

Zo betwistten de honden de aanwezigheid van de kinderen op het eiland. Ando en Elda beriepen zich op hun vader-de-koning: ‘Hij is de baas en daarom hebben jullie niks te vertellen.’ Daarmee snoerden zij de beesten de mond: de honden dropen af en maakten de toegang vrij naar de torentrap.

In de ruimte daarboven, waar duisternis heerste, klonken stemmen uit onzichtbare monden.

‘Behoort dit eilandenrijk wel aan de koning toe?’ werd er gefluisterd.

‘Zijn jullie wel de wettelijke erfgenamen?’

‘Of geloven jullie in fabeltjes?’

‘Zwijg,’ antwoordden de kinderen, ‘alleen wat onze vader-de-koning zegt is waar.’

Er volgde gekreun en de trapdeur sprong open.

In de bovenste torenruimte keken de kinderen in de spiegel. Hun spiegelbeeld begon te praten.

‘Ach Ando, kijk eens naar jezelf, hoe kun je denken dat je ooit nog eens koning zult worden?’

‘Nee, Elda, wie denk je wel dat jij bent, ik zou maar een beetje inbinden als ik jou was; dit rijk is veel te groot voor jou.’

‘Zijn jullie wel zo geliefd door jullie vader, of wilde hij jullie weg hebben?’

‘Wie zijn jullie eigenlijk?’

Ook deze stemmen wisten de kinderen het zwijgen op te leggen, door te herhalen wat hun vader-de-koning had gezegd. Zo brachten Ando en Elda tijd door in de oefentoren, zonder zich te laten intimideren door gluiperige honden, duistere stemmen, of leugenachtige spiegelbeelden.
Toen de koning in de stilte van een vroege ochtend het Groene Eiland bezocht en zijn kinderen hem vertelden hoe zij zich hadden weten te redden, knikte hij instemmend, met een twinkeling in zijn ogen. Hij breidde hun taken uit. Ze zouden de vissen, vogels en dieren namen geven. En zoals Ando en Elda hen noemden, zo zouden ze zijn. De kinderen zouden alleen maar plezier beleven aan alles wat leefde op het eilandenrijk.
Ando en Elda bouwden een huis op een heuvel, waar ze een prachtig uitzicht hadden over het eiland. Toen er op een ochtend een dikke mist opsteeg en ze vanuit hun deur op de wolken konden lopen, kwamen de vogels langs. Ze gaven ze één voor één hun naam. Een ander moment was het water uit de beken en rivieren zo gestegen dat de heuvel bijna tot de top onder water was komen te staan. Nu kwamen de vissen en andere waterdieren langs om hun namen te krijgen. Daarna trilde de aarde. De landdieren kwamen langs en kregen ook elk hun eigen naam. En zoals Ando en Elda de dieren noemden, zo gedroegen ze zich.
Het leven op het eiland bloeide op. De kinderen hadden er plezier in om tussen de dieren te bivakkeren en intussen te genieten van de vruchten die de natuur bood. De koning genoot mee. Hij kwam regelmatig langs om met zijn kinderen en hun dieren te spelen.

Het Groene Eiland lag in gouden nevels gehuld toen Ando en Elda de toren van water bezochten. De toren stond op de hoogst gelegen groene heuvel, in het midden van het eiland. Het water spoot van binnenuit omhoog en viel als een witte, ronde sluier voor hun ogen naar beneden. Het water doordrenkte het gras en stroomde weg in vier beken. De kinderen stonden er tot hun enkels in. Ze keken vol bewondering omhoog naar de watermassa. Het was goed dat hun vader had gezegd om hier van af te blijven; hij was de bedenker van alles wat ze tegenkwamen en hij verdiende hun eerbied en ontzag.

‘Is het inderdaad wel zo goed wat de koning heeft gezegd over deze watertoren?’

Achter Ando en Elda stond de grootste hond uit de stenen toren.

‘Dat jullie er van af moeten blijven?’

Het beest stond op hoge poten en met een staart die bijna de grond raakte doodstil achter hen, de kop omlaag, de bek open. Hoe had hij kunnen ontsnappen? Hadden de kinderen de deur van de stenen toren wel goed afgesloten?

‘Waarom zouden jullie van deze watertoren afblijven, als jullie toch al bijna koning en koningin zijn? Zijn jullie ook niet aangesteld over het waterbeheer dat al het leven regelt? Kijk eens om je heen: dit prachtige eilandenrijk, waar jullie de baas over zullen worden. Denken jullie nou echt dat de koning zou willen dat er iets is wat jullie niet mogen?’

‘Ik…’ wilde Elda beginnen, om de hond tegen te spreken.

‘Precies – jij!’ sprak het beest. ‘Jij bent zo mooi, zo knap, zo goed: jij kunt best de baas zijn over deze watertoren. Grijp ernaar, dan is hij voor jou en voor je grote broer, die natuurlijk ook niets liever wil dan koning zijn over alles in dit rijk, en over niets, niets uitgezonderd’

Elda draaide zich om naar Ando.

‘Proberen?’

Ando knikte. Ze strekte haar hand uit naar het water. Op hetzelfde moment week de watermassa naar achteren en schrompelde ineen. Waar net nog de fontein bruiste, verscheen nu een lange, dunne zoutpilaar, droog en hard en doods. Er gleed een diepe zucht door de omgeving, een kille siddering tot in de verre omtrek. De kinderen hoorden het kraken om hen heen. De stenen toren stortte in. De heuvels veranderden van uiterlijk: wat eerst nog jong en sappig groen was, kreeg een oud aanzien, verweerd, verbrokkeld, versteend. Vogels vlogen verwilderd rond. Honden blaften in de verte. Windvlagen joegen de nevels weg. Er kwamen donkere wolken opzetten, vol water en bliksem. Hun huis op de heuveltop vloog in brand. De kinderen sloegen op de vlucht – waarheen?

Ando en Elda konden niet meer vrij in de open veld spelen, zoals voorheen. Het eilandenrijk had haar vriendelijkheid verloren. Het was er de ene keer koud, de andere keer heet, dan weer nat, dan weer droog, maar nooit meer die weldadige wereld waar je je ongestoord tussen de bloemen in het gras kon uitstrekken om te gaan liggen slapen. De dieren luisterden niet langer. De vogels waren schuw geworden. Zelfs de vruchten smaakten anders. Ando en Elda vonden hun onderkomen in grotten, die ze moesten delen met honden.

Er klonk gefluister in de duisternis.

‘Zie je wel dat jullie niet van koninklijke komaf zijn?’

‘De koning is dit allemaal niet begonnen om jullie een plezier te doen, dat denken jullie maar. Zijn bedoelingen zijn duister.’

‘Vader-koning? Hoe kan hij dit toestaan, als hij zoveel van jullie houdt?’

‘Bestaat er eigenlijk wel iemand als zo’n koning?’

De koning leek niet meer dan een herinnering. Ando en Elda hadden geen tijd om nog veel aan hem te denken. Ze moesten nu zwoegen om aan hun trekken te komen. Ze moesten ook vechten voor hun veiligheid, en wilde dieren op afstand houden. Bekeken ze zichzelf in de spiegel van een of ander wateroppervlak, dan zagen ze een vertekend beeld van zichzelf. Ze werden snel moe en oud.

‘Je had nooit aan die watertoren mogen komen,’ zei Ando tegen Elda.

‘Maar jij had me moeten waarschuwen voor die hond,’ antwoordde Elda.
Ze konden het niet meer goed vinden met elkaar. Maar alleen waren ze ook niet gelukkig.

De grote grauwe hond liet zich niet meer zien, totdat er een vreemdeling op het eiland verscheen. Plotseling was hij daar: een jongeman in de kracht van zijn leven, die herinnerde aan Ando in zijn jonge jaren, voordat de watertoren werd aangetast. Hij bereikte de kust van wat eens het Groene Eiland was in een kleine boot zonder zeilen. Zodra hij het eiland betrad, vond hij de grote hond tegenover zich, met een staart die bijna tot de grond reikte.

‘Laat me erdoor – ik moet de koningskinderen spreken,’ zei de vreemdeling.

‘Welke koningskinderen?’ vroeg de hond.

‘Jij weet over wie ik het heb,’ antwoordde de man.

‘Maar wie mag jij dan wel zijn?’ sprak de hond.

‘Dat weet je maar al te goed. Daarom laat jij mij nu door.’

De hond stapte opzij, maar volgde de jongeman op de hielen. De vreemdeling vond Ando en Elda aan het werk voor hun grot. Zij wisten niet wat hun vermoeide ogen zagen.

‘Ik ben de oudste zoon van onze vader-koning,’ sprak de jongeman tegen hen. ‘Ik kom jullie namens hem vertellen dat jullie koning en koningin zullen worden van dit eilandenrijk.’

Ando en Elda lachten uit ongeloof. De grote hond sprong naar voren.

‘Dan heb je niet op mij gerekend,’ blafte hij. ‘Sinds die kinderen naar mij hebben geluisterd, ben ik hier de baas.’

Ando en Elda krompen ineen toen zij dit hoorden. De jonge koning knikte.

‘Dat is zo,’ antwoordde hij. ‘Maar zo zal het niet blijven. Ik ben de oudste zoon van de vader-koning, en ik heb recht op alles wat hij bezit.’

‘Zoals het nu is, zo zal het altijd blijven,’ gromde de hond, ‘want die kinderen hier hebben jouw rechten verkwanseld aan mij,’  en hij sprong op Ando en Elda af en beet hen allebei in hun hielen.

‘Ga! Ga! Naar de zoutpilaar,’ riep de hond en hij duwde de twee vooruit.

‘Kijk hoe ze strompelen,’ gromde hij naar de jonge koning, terwijl hij Ando en Elda voortdreef. ‘Ik heb hen hun toekomst afgenomen. Ze zijn in mijn macht.’

Ze bereikten de top van de kale heuvel, waar de zoutpilaar stond.

‘Dit is het bewijs dat ze naar mij geluisterd hebben,’ sprak de hond. ‘Ik ben hier de baas.’

‘Jij bent hier de baas, omdat de koningskinderen de gevolgen dragen van hun domme gedrag,’ zei de jonge koning. ‘Maar ik doe je een voorstel. Neem mij, in ruil voor deze twee. Laat hen vrij om terug te keren naar onze vader-koning en neem jij mij in hun plaats.’

Ando en Elda stonden daar klein en oud en moe. De grote hond bekeek hen met gifzwarte ogen. Welk gevaar kunnen zij mij nog bezorgen, dacht hij. Deze hier moet ik hebben, die dwaas die zich koning noemt, maar die zich zomaar aan mij overgeeft.

‘Heel goed,’ blafte hij, en hij drukte de jonge koning tegen de zoutpilaar en bond hem daaraan vast. Daarna stapte hij opzij en begon uit alle macht te janken. Uit de wijde omtrek kwamen honden aangerend.

‘Dood de jonge koning,’ huilde de grote hond. ‘Ik ben hier de koning.’

Hij sprong op de jongeman af en beet hem in de keel. De andere honden volgden. Ze lieten niet meer van hem over dan bloedvlekken aan de zoutpilaar. Daarna dropen ze af, wild en voldaan, zonder zich te bekommeren om de twee gehavende mensen, die daar angstig en kreupel achterbleven.

Het was donker op het eiland; de lucht wilde maar niet opklaren. Totdat Elda vroeg in de ochtend het geluid van borrelend water meende te horen. Zij en haar broer hadden niet de moed gehad om de kale heuvel te verlaten, bang als ze waren in de schemering honden tegen te komen. Elda stootte Ando aan.

‘Hoor je dat? Het geluid van water.’

Ando richtte zich op.

‘Het komt uit de richting van de zoutpilaar. Kom!’

Ze strompelden naar de heuveltop. Daar zagen ze de zoutpilaar smelten en langzaam wegzakken in een waterbron, die opborrelde op de plaats waar eens de watertoren had gestaan. Het leek alsof de bron rondom de slinkende zouthoop brandde: de prille stralen van de ochtendzon werden op het murmelende wateroppervlak in duizenden stukjes gebroken. In het water dreven resten touw waarmee de grote hond de jonge koning had vastgebonden.

‘Kinderen!’ klonk het onverwacht achter hen.

In het tegenlicht stak het silhouet van een man af.

‘Wees maar niet verbaasd. De hond kon mij niet klein krijgen. Ik ben geen moment ingegaan op zijn leugens, zodat hij mij niet in zijn macht kon houden. Zijn moord werd niet mijn dood. Ik ben hem te sterk. Hij zal nooit de baas worden over het eilandenrijk; hij heeft zijn rechten verspeeld en is in zijn eigen leugens getrapt en zal moeten zwijgen.”

Ando en Elda waren met stomheid geslagen. Hun hart bonsde in hun keel. Daar stond de jonge koning, levend en wel, – maar het was hun vader-koning!

‘Ik ga nu naar huis, voordat ik terug zal komen om samen met jullie alles te herstellen. Dan zal de toren van water weer stromen. Doen jullie intussen wat ik gezegd heb: hou de moed erin en luister niet naar de stemmen om je heen. Jullie horen bij mij, jullie dragen mijn naam. Ik heb altijd van jullie gehouden en zal dat blijven doen. Wat ik heb geef ik jullie, wat ik ben, dat zijn jullie. Luister naar wat ik jullie te zeggen heb. Oefen je in het luisteren. Hier, ik heb voor ieder van jullie een schelp waarin mijn woorden verborgen zitten.’

De vader-koning drukte Ando en Elda allebei een schelp in handen.

‘Luister vaak naar mijn stem in de schelp. En onthoud wat ik gezegd heb: jullie zullen koning en koningin zijn van dit eilandenrijk, jullie en jullie kinderen.’

Hij nam zijn mantel, die hij om de schouders van Ando sloeg; het kleed dat hij eronder droeg sloeg hij Elda om. Hij trok de ringen van zijn vingers en deed ze aan de vingers van de kinderen en haalde voor beiden een paar nieuwe, lichte schoenen tevoorschijn die perfect pasten. Hij gaf ze een maaltijd van brood en vis en gaf ze te drinken uit de vijver waar eerder de watertoren uit oprees. Daarna drukte hij hen tegen zich aan en verliet het eiland zoals hij gekomen was: in stilte.

Ando en Elda leefden anders op het eiland dan voorheen. De honden waren nog steeds in de buurt, de duistere stemmen fluisterden soms in de nacht en hun spiegelbeeld liet niet zien wie ze werkelijk waren. Maar de koningskinderen straalden waardigheid uit. Ze luisterden naar de stem van hun vader-koning als ze de schelp aan hun oor hielden en vatten moed als ze dronken uit de gouden bron. Zoals hij straks weer als een waterzuil leven zou geven aan het eilandenrijk, gaf hij nu al koninklijk leven aan Ando en Elda. Ze keken elkaar met glanzende ogen aan als ze daarover spraken of zongen. Binnenkort zouden ze zijn wat ze nu al waren: koningskinderen!