Waarom ik van de stad hou

Ik hou van de stad. En ik ben erachter gekomen dat God er ook van houdt. Maar als Hij zijn pijlen op de stad wil richten, wie spant dan de boog? Zijn dat de stadskerken? Wat betekenen christenen voor de stad? En wat kan ik betekenen?

Mag ik je meenemen in mijn gedachten over de stad? Het is wel even een onderwerp, dus ga er goed voor zitten… (Leestijd ongeveer 28 minuten)

Wie het nog niet door had: de stad wordt steeds belangrijker voor ons land. Economie, cultuur en politiek concentreren zich meer en meer op een stadsdynamiek die de welvaart van het land moet helpen vergroten. Beleidsmakers volgen de trek van mensen naar de stad en stellen alles in het werk om die te versterken en de bevolkingsdichtheid te vergroten. Het effect van deze concentratie van mensen geeft een explosie van creativiteit en ondernemerschap.

Ik woon in hartje Rotterdam, waar die trend in nog geen tien jaar tijd een enorme ontwikkeling heeft doorgemaakt. Veel Rotterdammers zijn er trots op. Maar de stad kent ook een uitvergroting van problemen waar elke samenleving mee worstelt: spanning, achterstelling en geweld.

En dan bedoel ik niet alleen Rotterdam. De stad is een wereldwijde uitdaging. De verstedelijking neemt enorm toe. In 1950 leefden er 750 miljoen mensen in steden. Nu 4 miljard. Elk jaar komen er acht steden zo groot als New York bij. Maar is de stad ook de uitdaging van kerken? De vraag is hoe het evangelie een positieve invloed in de stad kan uitoefenen en welke rol stadskerken daarin kunnen spelen. Kunnen we ons daar een voorstelling van maken?

Toen ik directeur was van Agapè nam ik mijn leidersteam mee de Utrechtse Domtoren op. Ik liet ze alle kanten op kijken en zei: ‘Stel je voor dat de helft van de stadsbevolking Jezus zou kennen en een leven zou hebben dat door Hem geïnspireerd was. Hoe zou de stad er dan uit zien, denk je? Probeer je eens voor te stellen hoe de sfeer in de stad dan zou zijn. Op straat, bij de Aldi, op de voetbalvelden…’

Uitdagingen in de Randstad
De stad wordt een steeds belangrijker factor in onze Nederlandse samenleving. Planologen verwachten dat ons land binnen enkele decennia 18 miljoen inwoners telt. Het grootste deel zal in de stad wonen. Wat heeft deze concentratie van mensen voor consequenties?

Om de bevolkingsaanwas te reguleren heeft de regering stadsgebieden aangewezen die zich vrij moeten kunnen ontwikkelen. Het gaat om de stadsregio Amsterdam, Rotterdam Rijnmond, stadsgewest Haaglanden en regio Utrecht. Deze agglomeratie van steden heet Randstad-Holland.

De Randstad telt op dit moment 8,2 miljoen inwoners. Dat mogen er wat de beleidsmakers betreft flink wat meer worden. De enige restrictie voor urbanisatie geldt het Groene Hart. Ondanks deze beschermde cultuurgrond is de Nederlandse deltametropool voor Europese begrippen een omvangrijk verstedelijkt gebied. Want is Nederland met 411 inwoners per vierkante kilometer al het dichtstbevolkte land van Europa, de Randstad telt 1000 inwoners per vierkante kilometer. Met Londen, Parijs en het Duitse Ruhrgebied behoort zij tot de grootste bevolkingsconcentraties van West-Europa.

De groei van de Randstad kent enorme uitdagingen. Denk aan huisvesting, openbaar vervoer, klimaatbeheersing en veiligheid. Maar ook onderwijs en integratie van diverse bevolkingsgroepen. Daarnaast vragen kwetsbare ouderen, zwerfjongeren en mensen met verward gedrag om extra aandacht. De vraag die in de laatste troonrede werd gesteld is: leven we wel voldoende met elkaar en niet naast elkaar?

De Randstad geldt als aanjager van de Nederlandse economie en moet dat volgens de beleidsmakers in toenemende mate zijn. Daarom worden havens, vliegvelden en vrachtverkeer gekoesterd. Er wordt alles aan gedaan om een gunstig vestigingsklimaat voor bedrijven te creëren, waardoor werk en mensen worden aangetrokken en innovatieve krachten de ruimte krijgen. Er wordt veel verwacht van de kenniseconomie.

Parallel aan de zichtbare werkelijkheid wordt een onzichtbare ‘slimme stad’ gebouwd van digitale data. Een democratische infrastructuur moet iedere stadsbewoner zoveel mogelijk informatie en voorzieningen aan kunnen bieden, inclusief zeggenschap over vervoer, voedselvoorziening, huisvesting, energieverbruik en andere gedeelde belangen.

De Randstad is ook het intellectuele centrum van het land. De grootste Nederlandse universiteiten zijn er geconcentreerd. En het culturele leven wordt grotendeels in de grote steden ontwikkeld. Kunst en cultuur geven stem en vorm aan nieuwe ideeën. Hier wordt de tijdgeest uitgebroed. Maar wat doet de heilige Geest? Wat betekenen de stadskerken voor onze stadsagglomeratie?

Wat kenmerkt het stadsleven?
Waardoor wordt het geestelijke klimaat in de stad beheerst? Ik zie vijf kenmerken die het stadsleven bepalen.

• Ten eerste eenzaamheid, een anoniem leven, met daaraan gekoppeld de roep om gezien te worden en van waarde te zijn.

• Ten tweede segregatie: afgescheiden groepen die elkaar buitensluiten.

• Ten derde de druk om te presteren en daarin vol te houden, om maar niets aan welvaart en prestige te verliezen.

• Verder een heimelijk verweer tegen bemoeienis en confrontatie.

• En onverschilligheid over de ander en de omgeving.

Onder de oppervlakte van deze tendensen heerst angst. Kijk goed naar de mensen die voorbij fietsen, voor stoplichten staan, op de roltrap, in de tram. Luister naar ze in de deuropening, café’s en stadsparken. Ook al doen ze joviaal en lijken ze nog zo relaxed, stadsmensen kennen een onderhuidse spanning die met allerlei rituelen moet worden bezworen. Het is niet moeilijk om achter een biertje, een sigaretje, yoga, joggen, spelen met een mobieltje of een sneer op straat de stress te herkennen. En al worden bovenstaande karakteristieken getemperd door de welvaart (‘we zijn een van de gelukkigste landen,’ koppen de kranten over de steekproeven), de angst om ook maar iets ervan kwijt te raken beheerst de diepste roerselen van de stadsbewoner.

Natuurlijk zijn deze vijf kenmerken van alle tijden, ik tekende ze al in mijn tienerjaren (zie illustratie). Maar ze zijn verhevigd. Ze komen met de verhaasting die de samenleving doormaakt en de opgefokte berichtgeving sneller aan de oppervlakte.

Jezus zei het al: door de wetteloosheid zal de liefde verkillen. De dreiging van uitsluiting en geweld is nooit ver weg en dat leidt tot angst. Kijk nog eens naar bovenstaande kenmerken. Waarin onderscheidt de gemeenschap van Jezus zich van de stadscultuur en hoe kan de stadskerk dat onderscheid naar buiten brengen? Welke visie heeft de stadskerk op haar stad? Welke invloed zien we het evangelie hier uitoefenen?

De christelijke stad en de heidenen
Je kunt het je momenteel haast niet voorstellen, maar ooit was de stad een belangrijke aanjager van het christelijke geloof.

Dat begon met de stadszending van Paulus. Hij richtte zijn strategie op Aziatische steden als Antiochië, Efeze en Jeruzalem, en de heilige Geest leidde hem en zijn mobiele teams daarna resoluut richting Europa naar de steden Filippi, Tessalonica, Athene, Korinte en Rome om daar kerken te stichten. De navolging van Christus had effect; na een jaar werken kregen de gemeenteleden in het Syrische Antiochië een bijnaam en stonden ze voortaan bekend als christenen (Handelingen 11:26). Ook in het Antiochië dat tegenwoordig in Turkije ligt kreeg zo’n beetje de hele stadsbevolking de boodschap te horen (Handelingen 13:44).

De Bijbel beschrijft hoe het Woord aan kracht won en hoe de stadskerken aantrekkingskracht uitoefenden op de omliggende streken (bijvoorbeeld Handelingen 13:49). Paulus gaf in Efeze twee jaar achtereen dagelijks les in een collegezaal waar mensen uit de wijde omtrek op af kwamen. Het resultaat was dat iedereen in de provincie Asia in die twee jaar met de boodschap van Jezus had kennisgemaakt (Handelingen 19:9-10).

Het geheim? Een krachtige verkondiging door de bedienaars, die ondersteund wordt door eenparig gebed door de gemeenteleden (Filippenzen 1:18-19), een open, zorgzame vorm van leiderschap (1 Tessalonicenzen 2:7-8), sterke nadruk op discipelschap en een grote eensgezindheid onder hen allen (Filippenzen 2:2).

Die eensgezindheid en gebeden waren al aanwezig bij de eerste gemeente in Jeruzalem (Hand. 4:23-31) en zien we volop terug in de bediening van Paulus. Zijn aanpak wierp ondanks heftige weerstand spectaculaire vrucht af. Ook andere pioniers leverden hun bijdrage. In Rome waren al diverse huiskerken toen Paulus daar zijn bijdrage kwam leveren. Rond 300 na Christus was de helft van de bevolking in de steden rond de Middellandse Zee christen.

Ook in ons land zouden de steden zich in latere eeuwen kenmerken door hun christelijke karakter en zich daarmee onderscheiden van het platteland. Heidenen woonden op de hei (daar komt dat woord ‘heiden’ vandaan), de stad gaf de christelijke toon aan.

Skyline van kerktorens veranderde in wolkenkrabbers
Het stadsbeeld werd door de kerk bepaald. Eeuwenlang zag je in elke stad de kerken boven de woningen uittorenen, ook in ons land.

Pas sinds de jaren zestig van de vorige eeuw kwam er een kentering en is dit beeld veranderd. Kantoor- en woontorens steken inmiddels in steden als Rotterdam, Den Haag en Amsterdam ver boven de kerktorens uit. (In Utrecht gold tot voor kort de regel dat er niet boven de Domtoren uit gebouwd mocht worden, maar dit wordt momenteel losgelaten.)

Elke stad wordt gebouwd op de trots op het menselijk kunnen. De geest die de torenbouwers van Babel beheersten viert nog steeds hoogtij. Tussen de grootste wereldsteden woedt een race om het hoogste gebouw. New York heeft op Ground Zero de Freedom Tower neergezet, een nog hoger gebouw dan het World Trade Center dat op 11 september 2001 vernietigd werd. Andere steden bouwen nog veel hogere torens, allemaal om het meest imponerend te zijn (zoals Shanghai, zie foto). Het hoogste gebouw staat momenteel in Dubai (828 meter). In Saoedi Arabië  wordt gebouwd aan een wolkenkrabber die de 1000 meter voorbij moet.

Ook in onze steden heerst die neiging. Onder het mom van verdichting van de stadscentra wordt ook hier steeds hoger gebouwd. Ik woon tegenover de Rotterdam, het gebouw met het meeste volume in de Benelux, waar dagelijks 3000 mensen in bivakkeren. En tegenover de Maastoren, het hoogste gebouw van Nederland. Voorlopig, want terwijl ik dit schrijf hoor ik om me heen het gehij om nog hogere gebouwen uit de grond te stampen.

Architectuur brengt tot uitdrukking waar een samenleving zich naar uitstrekt: de hemel wordt niet langer bewoond door God, maar door geld en dus door menselijke macht.

In korte tijd is in ons land de stad ontkerkelijkt. Bezocht in 1966 nog 47 procent van de Nederlandse bevolking regelmatig een kerk, in 2018 doet nog maar 15 procent dat (af en toe). In de steden gaat de ontkerkelijking nog veel harder. In Amsterdam bijvoorbeeld is minder dan 5 procent van de bevolking nog betrokken bij een kerk.

Kerkverlating zien we overal, nieuwe gelovigen zijn een uitzondering. Waar kerken groeien, heeft dat meestal niets te maken met een toename van gelovigen. De reden is dat kerkleden zich verplaatsen van de ene kerk naar de andere.

Het lijkt een verlies, de invloed van de kerk, maar het kan ook een begin zijn van een vernieuwing die door Gods Geest wordt voorbereid. Kerkleiders worden gedwongen om bescheiden te zijn en met hun boodschap en visie terug te keren tot de kern. Maar durven ze hun mond nog open te doen?

De stad wacht op Jezus
Het heeft er jarenlang op geleken dat christenen zich bij de na-oorlogse secularisatie neerlegden. De stadskerk zat in de verdrukking en leek niets meer te zeggen te hebben. God was door veel theologen dood verklaard, terwijl de gelovigen die waren overgebleven niet wisten hoe ze hun jargon moesten afstemmen op een veranderende wereld, of zichzelf dienstbaar moesten maken.

Nu, een generatie later, zien we een voorzichtig bewustzijn ontluiken dat de kerk misschien toch iets unieks kan betekenen voor de stad. Ja, we zijn een minderheid, maar we hebben een geweldige boodschap die ons beweegt om een goede invloed uit te oefenen. Ook in de stad, met al haar uitdagingen. Juist in de stad, want als het evangelie in de stad niet van betekenis zou zijn, waar dan wel? Zouden we niet wat moediger, wat brutaler moeten zijn?

De stad staat op de agenda van veel christelijke organisaties en kerkgenootschappen. En dat is maar goed ook, want zij is nooit uit Gods aandacht verdwenen. Wie de moeite neemt om de Bijbel erop te onderzoeken of zich laat leiden door wat God te zeggen heeft, zal ontdekken dat de stad in Gods scheppingsplan een bijzondere plaats inneemt.

God wilde een wereld vol zonen zoals Jezus. Hij begon met een tuin, waar vanuit mensen de aarde zouden bevolken. Toch zouden ze niet in tuinen blijven wonen, maar in steden. Bij de vervolmaking van zijn plan zal God niet in een nieuwe tuin van Eden bij mensen komen wonen, maar in een stad die vanuit de hemel neerdaalt. Hij is daar Zelf de stadsarchitect van, lezen we.

Onze geloofsvader Abraham wist het al. Hij zag uit naar een stad met fundamenten, door God zelf ontworpen en gebouwd (Hebreeën 11:10).

De stad is God zo dierbaar, dat hij in de Bijbel een geliefde vrouw wordt genoemd. Maar let op hoe ze gekarakteriseerd wordt. Kijk je mee met de visionair Johannes, dan zie je de stad verschijnen als de bruid van Jezus. ‘Toen zag ik de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij God vandaan. Ze was als een bruid die zich mooi heeft gemaakt voor haar man en op hem wacht.’ (Openbaring 21:2) De stad wacht op Jezus!

Een theologie van de stad
Wat hebben wij met de stad? In de theologie is er vaak over nagedacht. Dat deed Augustinus al, die met ‘Twee steden’ in de vierde eeuw de strijd tussen Babylon en Jeruzalem beschreef. Parallel aan de wereldwijde urbanisatie is de belangstelling voor een theologie van de stad de afgelopen eeuw toegenomen.

Diverse theologen en kerkleiders houden zich ermee bezig. Veel invloed heeft Harvey Cox gehad, met name vanuit de Wereldraad van kerken. Pionier in de evangelische stadstheologie is Donald McGravan, die in 1961 begon met de Church Growth Movement. Roger Greenway schreef in 1974 ‘Calling our cities to Christ’, waarin hij teruggaat naar de basisprincipes van Paulus. Harvey Conn, redacteur van het tijdschrift ‘Urban Mission’, ontwierp trainingsprogramma’s voor evangelisatie in de stad. Greenway en Conn hebben Tim Keller beïnvloed, die bekend werd met zijn Redeemer Church in New York.

Van invloed is ook het boek ‘Huizen die de wereld veranderen’ van Wolfgang Simson. Kleine kernen kunnen samen een grote invloed uitoefenen. Recent wordt Raymond Bakke (lid van het Lausanne Comité) vaak aangehaald. Hij legt de nadruk op de zichtbare navolging van Christus in de steden en tussen mensen. Tijdens een symposium van het Nederlandse tijdschrift voor evangelische theologie Soteria zei hij: ‘Gods Koninkrijksagenda behelst het persoonlijk behoud van mensen én de sociale transformatie van steden.’

Ook in ons land wordt gepubliceerd over de stad. Floyd McClung plantte Youth with a Mission in hartje Amsterdam. Hij schreef in 1990 het boek ‘De stad in Gods ogen’. Peter van der Kamp schreef in zijn dissertatie van de universiteit van Kampen ‘Hart voor de stad’, over het ontwikkelen van visie voor verkondiging, gemeenschap en dienstbetoon van de stadskerk.

Stefan Paas, die als hoogleraar missiologie en interculturele theologie vanuit de Vrije Universiteit Amsterdam opereert, publiceert ook regelmatig over de stad. Hij daagt kerken uit om zich in te leven in hun omgeving. ‘Bij mijn eigen kerk komen soms jonge mensen zonder christelijke achtergrond, die vinden de taal ontoegankelijk. Ze hebben wel een bepaald verlangen, maar de antenne ontbreekt nog.’ Kerken moeten niet lijdzaam toezien, maar zichzelf versterken en vernieuwen, vindt hij. Zoals de nieuwe kerken in de Bijlmer. Daar zie je kerkgroei, die kerken zijn in staat nieuwe mensen aan te trekken. ‘Jonge mensen gaan niet naar de kerk om te horen wat de dominee of de priester nou weer heeft bedacht, ze willen betrokken zijn en iets bijdragen. Geef ze de ruimte om kritisch te zijn, hun twijfel te uiten en vragen te stellen.’

Diverse denominaties hebben de laatste decennia stadsvisies ontwikkeld. Sommige pinksterkerken hebben hun samenkomsten omgebouwd tot poppodia. De stadspioniers van de PKN en de kleine reformatorische kerken zoeken het juist in kleinschaligheid en zorg.

De stad in de Bijbel
De Bijbel heeft veel te zeggen over de stad. Kaïn was de eerste stadsbouwer. Hij noemde zijn stad Henoch, een naam die van toewijding spreekt, omdat God Kaïn niet los had gelaten nadat hij zijn broer had vermoord. Een andere stad uit Genesis, Babel, kreeg een slechte naam, omdat het een teken werd van menselijke hoogmoed. Ook Sodom en Gomorra hadden een bedenkelijke reputatie, maar merk op dat God wel gewillig was om de inwoners te redden.

Het evangelie van genade is dan ook bij uitstek een boodschap voor de stad. God heeft het zelf zo ingesteld dat steden dienen voor bescherming en als verzamelplaats van cultuurmakers (Numeri 35:6, Psalm 107:4-7).

De stad kan ook een plaats zijn van menselijke trots, verderf en geweld, maar daar hoeven we geen genoegen mee te nemen. Wij mogen onze stad zegenen: Gods overvloedige goedheid inbrengen.

Als het de rechtvaardigen goed gaat, deelt heel de stad in de vreugde. De zegen van de rechtschapenen brengt de stad voorspoed. (Spreuken 11:10b, 11b)

We vertegenwoordigen Jezus als we de stad komen zegenen. Jezus ging in zijn driejarig optreden doelbewust op de stad af. Daar zou Hij zichzelf geven en daar zal volgens de profetie ook Gods werk worden afgemaakt.

Gelovigen hebben de neiging om af te geven op de stad, uit angst voor het onbekende en uit ongeloof over Gods plannen met de stad. De Biblebelt heeft haar rug naar de Randstad toegekeerd, zoals Jona, die foeterde op Ninevé. Hij wilde er niet eens heen, maar God had andere plannen. En als de ballingen in Babylon de stad de rug toe willen keren, grijpt God in. Jeremia waarschuwt als stadsprofeet:

‘Bid tot de HEER voor de stad
waarheen ik jullie weggevoerd heb
en zet je in voor haar bloei,
want de bloei van de stad is ook jullie bloei.’
(Jeremia 29:7)

  

Zijn we als Simeon de pilaarheilige, die zijn rug naar de stad keert (schilderij Carel Willink)? Of als
de profeet Jeremia, die zijn gezicht naar de stad keert en over haar klaagt (schilderij Rembrandt)?

Wie de stad zegent, wordt gezegend, horen we. Dat moet elke stadskerk aanspreken. God wil dat we ons verbinden met de stad en haar vrede zoeken.

God geeft ons visioenen van generaties die in vrede in de stad samenleven (Zacharia 8:4,5). Te midden van botsende culturen scheppen christenen nieuwe, harmoniërende culturen. Steden hebben een hoopvolle toekomst als generaties gezond samenleven en dat mag de kerk de samenleving voorhouden.

Steden zijn de droom van iedere evangelist. Paulus liet zich daardoor leiden in zijn strategische aanpak om de volken te bereiken (Handelingen 16:9-12). Lucas is ooggetuige van de prille ontwikkeling van de gemeente van Jezus in de steden waar Paulus werkt. Hij noemt in zijn evangelie en in Handelingen de stad zo’n 80 keer. In zijn boeken wordt een solide basis voor stadszending gelegd. Het is beslist interessant en inspirerend om beide bijbelboeken van deze schrijver eens met die ogen te lezen. En dan te bedenken wat wij in de eenentwintigste eeuw voor de stad mogen doen, vanuit dezelfde visie.

Explosieve groei
Door de groei van de wereldbevolking moeten we onze kijk op steden voortdurend bijstellen. De ontwikkelingen zijn duizelingwekkend.

Toen ik als kind voor het eerst in onze bruine Bosatlas thuis de wereldkaart bestudeerde, vond ik daarop tien vierkante rode blokjes: wereldsteden met meer dan één miljoen inwoners. Ik verbond ze met lijnen en fantaseerde dat er een laan zou zijn waarop ik het evangelie van stad naar stad mocht brengen, de ‘Willem de Vinklaan’.

Nu bestaan er meer dan 400 miljoenensteden; alleen China heeft er al meer dan 160. In 1900 leefde 10% van de wereldbevolking in de stad, in 1965 35%, nu 55% en dat percentage zal in een drastische curve verder omhoogschieten.
Een halve eeuw geleden waren vooral westerse steden de grootste, nu liggen de meeste in andere gebieden. New York, Londen en Parijs zijn dik ingehaald door Tokio, Shanghai, Jakarta, Delhi, Seoul, Guangzhou, Beijing, Manila, Mumbai, Shenzhen, Sao Paulo, Mexico City en Lagos. De wereld telt zo’n 50 megasteden met meer dan 10 miljoen inwoners, die vooral te vinden zijn in China en India. De grootste Europese steden zijn Moskou en Istanbul.

Steden groeien explosief. ‘De mensheid heeft deze weg nooit eerder bewandeld,’ zegt stadsdeskundige Ulrich Pfeiffer in National Geographic. Het is duidelijk dat deze groeistuipen dramatische gevolgen hebben. Kijk naar de armoede in de stad, de favela’s, slums, shacks, de problemen met luchtvervuiling, drinkwatervoorziening, elektriciteit en huisafval.

In Kathmandu zag ik de aasgieren cirkelen boven de rivier, die als een langgerekt riool door de stad kronkelt. In Durban en Johannesburg zag ik hoe mensen in krotten langs de snelweg leefden. In Manilla hoe duizenden mensen op de rivier hutjes van karton, plastic doeken, hardboard en latjes tot vier, vijf verdiepingen hoog hadden gebouwd met erboven een onnavolgbaar spinnenweb van elektriciteitsdraden.

Sociologen zijn het over één ding eens: voor de mensen die nu geboren worden zal de kwaliteit van hun leven afhankelijk zijn van de kwaliteit van de steden. De vraag is of die wel zo zegenrijk zal zijn. Welnu, daar heeft de kerk een antwoord op!

Stadsproblemen
De grote stad kent als samenleving veel problemen. Denk ook aan de agressie in het verkeer, het geweld in prostitutie en drugshandel, de anonieme doden in vergeten kamers. Of wandel eens met een onbevangen blik rond in de zogenaamde ‘probleemwijken’ in onze eigen grote steden.

Ik heb het verschil opgemerkt in kleding, gezondheid en gebitten tussen de bewoners in het forenzendorp Houten waar we 25 jaar woonden en Rotterdam waar we nu leven. In Houten veegden mensen hun stoepje, in Rotterdam-Zuid zijn veel stoepjes een vuilstortplaats.

Armoede is een groot probleem, niet alleen over de grens, maar ook in ons eigen land. Rotterdam is de armste stad van Nederland. Er leven 80.000 mensen onder de armoedegrens. Maar er wonen ook puissant rijke mensen. Thomas Piketty schrijft dat de tegenstellingen tussen arm en rijk alleen maar zullen toenemen, omdat de waarde van het kapitaal in handen van een kleine elite veel sneller toeneemt dan de economische groei van een land.

Jezus zei het al: ‘De armen heb je altijd bij je.’ (Marcus 14:7) Overal in de wereld verlaten mensen het platteland in de hoop op een beter leven in de stad. Maar velen van hen worden teleurgesteld. Nergens zie je duidelijker dat armoede onuitroeibaar is dan in de stad.

Toch hoeft het lot van de steden niet perse onmenselijk te zijn. Tijdens de industriële revolutie waren Londen, Parijs en New York in erbarmelijke staat, maar grote delen ervan zijn veranderd in welvarende metropolen.

Ik fietste met mijn vrouw door Beijing, waar de oude, vervallen hutongs in enorm tempo worden vervangen door nieuwbouwwijken, verbonden met brede lanen. Ik liep met drie vrienden door Singapore, een stadstaat met 5,7 miljoen inwoners, waar je bij wijze van spreken van de straat kunt eten. En ook ons eigen Rotterdam is aan een opwaardering bezig. Steeds meer mensen zijn hier tevreden met de stad. Het is veelzeggend dat rond de eeuwwisseling juist in deze stad de voedselbank werd uitgevonden. Door de familie Sies uit Charlois, die indertijd betrokken was bij de evangelisatiebeweging Agapè.

Leiders met visie en daadkracht wisten steden aan te pakken. In het verleden waren het veelal christenen of mensen met een christelijke achtergrond die hun invloed lieten gelden. En nu?

Stad met muren
Kijk om je heen: onze stad is zendingsgebied. Ook in de Randstad zijn mensen nodig die met de geloofsmoed van Nehemia op zoek gaan hoe de kerk hier van invloed kan zijn.
Maar dat valt nog niet mee. De afstand tussen kerk en stad liegt er niet om. De predikanten van de Noorderkerk in de Amsterdamse Jordaan en de Singelkerk in Utrecht vertelden mij dat ze nauwelijks kerkleden uit de binnenstad hebben.

Ook in de Koningskerk in Rotterdam waar ik regelmatig voorga komt lang niet iedereen uit de stad. Er is een plan opgesteld voor de wijk Feijenoord en Joris van der Spek is met zijn vrouw Aafke vrijgesteld om hier te pionieren. Hij vertelt me regelmatig over hun werk: ze spreken veel wijkbewoners en sommigen zijn echt geïnteresseerd in het evangelie, maar de kerk bezoeken is meestal een stap te ver. Dat dwingt hen om naar andere vormen te zoeken om kerk te zijn.

Mijn vriend Paul van Oosten, die directeur is van de Protestantse Diaconie in Amsterdam, praat me regelmatig bij over de ontwikkelingen in onze hoofdstad. Hij is optimistisch. Er worden bijvoorbeeld leefgemeenschappen gesticht waar meerdere gezinnen voor kwetsbare mensen zorgen. Het zijn kleine lichtpunten, vuurtorens in de kolkende zee van mensen die in de stad hun weg zoeken.

Maar we zijn met zo weinig. Ik vroeg laatst aan een predikant die in verschillende plaatsen had gestaan hoe hij de kerk van nu in Nederland zou typeren. ‘We zijn in ballingschap,’ antwoordde hij.

Toch ontslaat ons dat niet van de plicht om in de stad te zijn en daar ons gezicht te laten zien. Ik zat in het eerder genoemde hoogste gebouw van Nederland in Rotterdam tegenover onze woning in de vergaderzaal op de bovenste verdieping met de verzamelde geestelijk leiders van Rotterdam om te luisteren naar een stadspredikant uit Liverpool. We konden alleen maar beamen dat we eigenlijk geen van allen weten hoe we onze stad kunnen bereiken. Maar we weten wel dat het om het getuigenis van Jezus moet gaan en dat we kunnen bidden dat daar kracht aan verleend zal worden.

De afstand tussen kerk en stad lijkt nog groter te worden als je ziet hoe de stad verkleurt. In Amsterdam en Rotterdam is de helft van de bevolking van niet-westerse afkomst; er Rotterdam staan meer dan 190 nationaliteiten geregistreerd. In de grote steden vind je diverse kerken van nieuwe Nederlanders uit allerlei culturen, maar het zijn meestal geïsoleerde gemeenschappen.

De multi-etnische stadssamenleving biedt een enorme uitdaging voor de verspreiding van het evangelie.

Wat een muren zijn er voor kerken om overheen te springen, wat een problemen om al die taal- en cultuurverschillen te overbruggen. Of moet je zeggen: wat een voorrecht dat de volken naar ons toe komen om het evangelie te ontvangen dat relevant is voor alle culturen? Kan de stadskerk dat voorrecht benutten?

Verschillen worden groter
Volksverhuizingen zijn van alle tijden. Toen ons land nog maar nauwelijks honderdduizend inwoners telde, streken 6000 Romeinen in de Rijndelta neer. Rond 1600 kwamen 150.000 protestanten uit Zuid-Nederland naar Noord-Nederland, rond 1700 nog eens 50.000 Franse protestanten. In dezelfde periode staken landarbeiders uit Duitsland massaal onze grenzen over. Amsterdam kreeg honderden Portugese Joden te herbergen.

In de eerste decennia van de vorige eeuw staken honderdduizenden Joden die de Oost-Europese pogroms ontvluchtten vanuit Rotterdam met de Holland-Amerikalijn de oceaan over, maar honderden bleven in ons land achter. Het Noordereiland werd door Joseph Zalman gezien als zendingsgebied onder Joden: in twintig jaar tijd vertelde hij in zijn opvanghuizen op het eiland in de Maas 300.000 ontheemde Joden op doorreis naar de nieuwe wereld het evangelie.

Na de Tweede Wereldoorlog stroomden Chinezen, Indonesiërs, gastarbeiders uit Oost- en Zuid-Europa, Surinamers en Antillianen onze steden binnen. Toen kwamen de Turken en Marokkanen en opnieuw een toestroom van Oost-Europeanen en inmiddels mogen we mensen uit Afrika en Azië verwelkomen. In Rotterdam kun je die onafgebroken toestroom van verschillende bevolkingsgroepen terugzien in de uitbreiding van wijken vanaf het Centraal Station tot diep in Zuid. Hun sporen zijn niet meer uit te wissen.

Iedere stadsbewoner heeft inmiddels ervaring met buitenlanders in zijn omgeving. Bij mij begon dat toen een Chinees pinda’s kwam leuren aan de deur van het huis waar ik als kind opgroeide. Hij was een bezienswaardigheid. Ook een Molukse jongen in de klas was bijzonder, want zijn aanwezigheid op school was een uitzondering. Toen ik op mijn zestiende uit Utrecht vertrok zag je in het straatbeeld nog geen enkele hoofddoek, laat staan een boerka. Vijftien jaar later werd Houten, waar ik net met mijn gezin was komen wonen, opgeschrikt door bootvluchtelingen uit Vietnam. Daarna volgden de Soedanezen. Die groepen namen hun kerk mee, dat was nog een beetje vertrouwd.

Zichtbare spanningen
Maar nu is het anders. De huidige vluchtelingenproblematiek grijpt diep in de samenleving in. Het verschil is dat mensen zich momenteel fysiek wel verplaatsen, maar mentaal toch bij elkaar blijven. Ze bouwen hier een leven op met hun eigen cultuur en godsdienst. Jonge buitenlanders wonen in Nederland, maar kletsen en chatten uitsluitend met de eigen groep, kijken via schotels naar televisieprogramma’s in de eigen taal en halen hun partner uit het land van herkomst. De behoefte om Nederlands te leren is nihil.

De Wetenschappelijke Raad van Regeringsbeleid stelde in mei 2018: ‘Als wijken diverser worden, voelen mensen zich onveiliger en neemt sociale samenhang af.’

Er is nauwelijks uitwisseling, laat staan integratie, terwijl beleidsmaker juist uit zijn op assimilatie. Maar een toenemende groep ontevreden autochtone Nederlanders wil alle inwoners van buiten het liefst terugstuurt naar land van herkomst. Hoewel veel Nederlanders niets meer met het geloof zeggen te hebben, willen ze niet-christelijke gelovigen uitbannen.

Steden lijken een kruitvat van polarisatie. Die problematiek wordt opgefokt door beleidsmakers. Ze doen vooral hun best om de kloof tussen rassen groter te maken.

Ik heb gezien hoe in Jeruzalem de politiek muren bouwt, terwijl Palestijnen en Joden het liefst in vrede samenleven en van elkaars mogelijkheden gebruikmaken. Want hoewel de problemen lijken toe te nemen, zijn de wensen van mensen niet verandert.

In Rotterdam rollen de politieke partijen over elkaar als de term integratie klinkt, terwijl in de wijk de mensen elkaar het liefst met rust laten. Daar is integratie allang een feit, daar heerst de ‘superdiversiteit’. Iedereen is inmiddels een minderheid en van de jongeren onder de 18 heeft twee derde een migratieachtergrond. Ook al zie je een mengeling van kleuren, er leeft een besef dat iedereen samen de stad vormt. Al die verschillende bevolkingsgroepen eten van elkaars keuken, delen dezelfde stoep, sturen hun kinderen naar dezelfde school. In een stad met alleen maar minderheden moet je zoeken naar andere omgangsvormen. Soms schuurt dat en moet je erkennen dat je er onzeker van ordt. Maar we dromen allemaal van hetzelfde geluk, dezelfde voorspoed en liefde.

Dus waar sturen we op aan? Of moeten we zeggen: waar loopt het sowieso op uit? Onderzoekers zijn het erover eens dat integratie meestal een cyclus doorloopt van vermijding, conflict en aanvaarding. Je ziet steeds weer dat groepen die moeten samenleven eerst afstand houden, dan strijd leveren en ten slotte tot rust komen in een consensus van geven en nemen. Ze zeggen als het ware: ‘We zijn beter af zonder elkaar, maar als jullie een beetje van ons nemen en wij van jullie, dan tolereren we elkaars aanwezigheid en voelen we ons min of meer veilig.’ Maar hebben we het dan over een gewapende vrede, of kunnen we zonder angst van elkaar genieten?

Verschillen worden voor Gods troon gevierd
Er lopen diepe scheidslijnen door de diverse bevolkingsgroepen. Vraag het aan een willekeurige leerling op het schoolplein: Dunya en Desie lopen echt niet bij elkaar de deur plat. Overvecht, Kanaleneiland, Charlois, Feyenoord, Slotervaart, Bijlmer, Schilderswijk, Laakkwartier: achterstandswijken zijn geïsoleerde gebieden vol allochtonen. Ze vallen op, omdat de diversiteit aan culturen hier zo zichtbaar is. En die verschillen worden er niet kleiner op.

Minder zichtbaar is nog een andere opmerkelijke ontwikkeling gaande. Universiteiten trekken steeds meer buitenlandse studenten, met name uit voormalige Oostblok-landen en Azië. Eindhoven, Delft, Wageningen en Twente tellen een derde tot de helft buitenlandse promovendi. De oudere universiteiten hebben minder buitenlandse studenten, maar ook daar loopt het percentage op. Velen van hen blijven hier na hun studie hangen. We leven in een geglobaliseerde samenleving en dat zal niet meer veranderen.

Het is een omvangrijke uitdaging, die volken, stammen, naties en talen bij ons over de vloer.

Je kunt de verschillen willen vergroten of ze elimineren, maar je kunt ze ook vieren. Daar is het evangelie goed in. Er is in Jezus geen veroordeling, die boodschap brengt groepen mensen bijeen. De Bijbel voedt onze verbeelding met visioenen daarover. Als alle volken voor Gods troon gebracht worden, zal daar hun eigen kleur juist benadrukt worden. Ze zingen een nieuw lied:

U hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit elke stam, taal, volk en natie.’ (Openbaring 5:9)

De vraag is of wij de allochtone instroom weten te benaderen met het evangelie. Hoe reiken we naar hen uit? We horen van een enkele bekering, maar dat zijn uitzonderingen. Wie springt met God over die etnische muur? Daar zijn ze, al die mooie mensen, de potentiële schare die niemand tellen kan om God te prijzen. De hele wereld op ons grondgebied. Maar wel afgescheiden van elkaar. Nemen we daar genoegen mee?

Laten we de mensen die het evangelie in de stad uitdragen ondersteunen en bidden voor meer pioniers die de grenzen op die enkele vierkante kilometers van de stad openbreken, bidden voor een sterk getuigenis, sterke kerken, bidden om de Geest. Zo loop ik door Rotterdam en door andere steden die ik bezoek: biddend.

Rick en Rashid
Bidden is soms niet meer dan gewoon er zijn. Mijn vader woonde in de Utrechtse wijk Lombok. Hij zag in een tiental jaren de buurt compleet verkleuren. Allochtonen erin, autochtonen eruit. Niks erg, vond hij. Mijn vader hield van vreemde culturen, en kijk: nu ontvouwde zich voor zijn voordeur zomaar een exotische wereld. Hij kon er smeuïge verhalen over vertellen.

Mijn vader had zoveel plezier in de buurtkinderen dat hij ze één keer in de week bij hem en zijn tweede vrouw thuis liet komen. Ze waren namelijk een kinderclub begonnen. In een hoek van de huiskamer stonden tekenspullen, plakboeken, schriften en muziekinstrumenten opgestapeld. En een handjevol kinderbijbels. Want het ging natuurlijk wel over Jezus.

Toen ik nog klein was deden mijn moeder en zus hetzelfde. In de Dichterswijk, een Utrechts buurtje dat toen nog zo blank was als karnemelk. Iedere woensdagmiddag werden alle stoelen uit ons huis naar de achterkamer gesjouwd en dan volgde een complete samenkomst met liedjes en een bijbelverhaal, afgerond met toepasselijke knutselwerkjes. Ik deed daar zo rond mijn tiende mijn eerste preekervaring op.

Veel later sprak ik in een kerk in Nieuwegein. Daar stapte een jonge vrouw op me af. Ze stelde zich voor en vertelde me dat ze in dezelfde straat als ik had gewoond en bij ons thuis over Jezus had horen vertellen. Ze had er jarenlang niks mee gedaan, maar pas geleden was ze toch op zoek gegaan en in deze kerk beland. Het was Jolanda van een paar huizen verderop, die eigenlijk nog wel erg jong naar de kindersamenkomst kwam. Ze stond bij ons thuis bekend als een broekenplasser. Ik was verrast te horen dat het evangelie haar was bijgebleven en had geraakt.

‘Laat de kinderen tot Mij komen,’ zei Jezus. (Marcus 10:14)

Lijkt de stad soms een onneembaar bastion? Hij is nooit te groot of complex om kinderen te vinden. Jezus heet ze welkom. Op dat niveau kan de stad al bereikt worden. Kleine zaden brengen soms grote bomen voort. Als we voor de stad bidden, dan vergeten we de stadskinderen niet: Jolanda, Fatima, Rick, Rashid.

Stadscultuur
Wat is er nou zo typisch stads aan de stad en de stadscultuur? Toen ik op mijn veertiende mijn eerste strips publiceerde, droop de stadssfeer eraf. Ik tekende eenzame, anonieme figuren tussen massa’s mensen in verkeersdrukte en huizenzeeën. Eigenlijk was die typering een eitje voor me, ik was immers als stadsjochie thuis in dat soort leven. Het duurde even voordat ik ontdekte dat het uitmaakt of je in de provincie of in de stad woont. Voor sommige mensen is de stad echt een andere wereld.

Wat karakteriseert het stadsleven? Stadssociologen noemen vijf kenmerken.

• Ten eerste massaliteit. De stad is een gigantische ‘bijenkorf’. Er is van alles veel en dat ook nog dicht op elkaar. Je kunt erin opgaan, maar je ook verloren voelen.

• Ten tweede heterogeniteit. De stad is een ‘caleidoscoop’ van netwerken en subculturen. Er zijn grote verschillen in opleiding, beroep, inkomen, levensbeschouwing, leefwijze. Je kunt je gewoon of extreem gedragen, het maakt niet uit.

• Ten derde mobiliteit. Je kunt de stad vergelijken met een krioelend ‘mierennest’. Er is altijd beweging, verandering. Mensen gaan de stad in en uit, van wonen naar werken naar vermaak. Je moet er wel flexibel en snel zijn.

• Ten vierde complexiteit. De stad is een onoverzichtelijk ‘doolhof’. Er is van alles méér, met grote verschillen op allerlei niveaus, waarbij mensen in meerdere domeinen verkeren (familie, buurt, werk, vrije tijd) en meerdere rollen spelen. Dat vraagt om afscherming en assertiviteit.

• Tenslotte centraliteit. De stad is een ‘brandpunt’ van bedrijvigheid, innovatie en vernieuwing. Door de schaalvergroting en integratie vormt de stad een machtscentrum. Zij oefent grote aantrekkingskracht en invloed uit op haar omgeving. Je voelt je al snel wereldwijs en trendy.

Of de stad nu een bijenkorf, caleidoscoop, mierennest, doolhof of brandpunt wordt genoemd, het is in ieder geval een complexe levensvorm, die steeds weer verwondert en fascineert, maar ook afstoot en angst inboezemt. Onder christenen heerst nogal eens een anti-stedelijk sentiment, waarbij de stad als Babylon wordt afgeschilderd. Maar met deze visie gaan we voorbij aan Gods liefde voor mensen in hun kwetsbaarheid.

Middenin de stad
Ik kan me goed vinden in de woorden van stadssocioloog Brunt, die de stad beschrijft als ‘een gebied waar menselijk drama zich sterker manifesteert dan waar ook.’ Het is daarom niet verwonderlijk dat Jezus zijn discipelen (allemaal plattelanders) meenam naar de stad, om juist van daaruit een beweging op gang te brengen met de stadskerk als resultaat.

Wat is onze houding tegenover de stad? Je kunt er buiten staan, er tegen zijn of er op neer kijken. Je kunt er ook in zijn, er middenin, om er voor haar te zijn. Ben je met zo’n toegewijde, bewogen houding in de stad, dan leef je het stadsleven mee, waardeer je het goede erin, deel je de pijn, identificeer je je ermee. Je houdt van de stadsmensen, je dient, corrigeert en toont het goede voorbeeld. Je neemt de geur van Christus mee je omgeving in. Je bidt voor de stad, doet goed, spreekt van genade. Je luistert ook, laat haar spreken. Er is een wisselwerking, een relatie.

De Bijbel spreekt over de rechtvaardigen in de stad die van invloed zijn met Gods genade. Jesaja profeteert (in hoofdstuk 26):

‘Open de poorten, opdat een rechtvaardig volk binnengaat, dat Gods Woord bewaart.’

Onderschat die invloed niet. God doet zijn werk in de stad door de aanwezigheid van elke door Jezus gerechtvaardigde persoon. Als je weet dat je goed bent in Gods ogen en vol bent van zijn liefde, dan oefen je daarmee invloed uit. Je bent als Jezus in de stad zoals Jezus in de stad was. Want hoe was Hij eigenlijk in de stad?

Ezels gezocht
We zien hoeveel Jezus van de stad houdt als Hij Jeruzalem binnenrijdt. In Lucas 19 lezen we dat Hij dan huilt. Hij ziet die complexe stadssamenleving en doorziet het contrast tussen de druk van de tijdgeest die geweld en uitdrijving uitoefent en de vrede die God de stad wil geven. Hij ziet ook dat de mensen het goede, welvarende leven dat God ze gunt zullen missen als ze Hem afwijzen. Dat brengt een diepe ontroering bij Hem teweeg.

Jezus heeft zich niet in een wolk van heerlijkheid teruggetrokken, maar leeft mee met de stad. Hij duikt erin, ondanks de weerstand. Zo is onze Meester: bewogen met mensen.

Het is een indrukwekkend beeld: Jezus die zo van de Olijfberg af de stad overziet en haar vervolgens vol compassie binnengaat. Ik vraag mezelf wel eens af of ik deze bewogenheid mee kan voelen. Ik ben vaak op die plek in Jeruzalem geweest om mezelf te oefenen om met dezelfde ogen te kijken. Onderweg en thuis probeer ik te zien wat Hij in de stad zag, maar misschien moeten ik me eerst maar eens identificeren met het ezelsveulen waarop Jezus Jeruzalem binnenreed.

Laten we ons eens inleven in die ezel. Het begint ermee dat Jezus in een dorp buiten de stad twee van zijn volgelingen erop uit stuurt om een jonge ezel los te maken en bij Hem te brengen. Zij moeten tegen de eigenaar zeggen dat hun Meester het dier nodig heeft. Als Jezus vervolgens op het ezelsveulen Jeruzalem binnenrijdt, wordt Hij door de menigte toegejuicht. Johannes ontdekt dat hier een profetie uit Zacharia in vervulling gaat, die zag dat de Koning zou komen op een ezel.

Geweldig, die Koning, maar waarom speciaal op zo’n ezel? Misschien omdat het eerste jong van een ezel een bijzondere achtergrond had. Elke eersteling was als offerdier bestemd, dit ezelsjong ook. Maar de eigenaar kon zijn verplichting om het ezelsveulen te slachten inruilen voor een lam (Exodus 13:13).

Probeer je nu eens in te denken dat jij de ezel bent die Jezus de stad in draagt. Precies: jij mag de Koning dienen, omdat er in jouw plaats een offerlam stierf. Jezus zegt: ‘Ik heb je nodig.’ Heb je zijn roeping gehoord en aanvaard, dan maakt Hij je los uit je beschermde, comfortabele leven om Hem met je mee te dragen de stad in.

Daar ga je dan, vrijgemaakt en beschikbaar gekomen als dienaar van Jezus. Zo draag je Jezus’ liefde en bewogenheid met je mee (Hij huilt op zijn ezel om de stad), maar ook zijn koninklijke waardigheid en gezag (Hij wordt toegejuicht).

Jezus wil op die manier de stad binnenkomen, gedragen door zulke ezels. Zijn bewogenheid is zijn waardigheid. Laat de poorten zich dan maar groot maken, de oude, vervallen en in onze ogen problematische stadsingangen, want de Koning der ere zal de stad binnengaan, zoals dat in Psalm 24 staat.

‘Hef, o poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, aloude ingangen!’

Zie je het voor je? Daar komt Jezus de stad binnen op de rug van ezels zoals jij en ik!

De stad kan en zal veranderen
Veel christenen voelen niet veel voor de stad. Ik wilde als directeur van de evangelisatiebeweging Agapè de focus verleggen naar de Randstad. Mijn opgave was om de zestig full time medewerkers en een veelvoud aan vrijwilligers daarin mee te krijgen. Na twee jaar moest ik overspannen vertrekken.

We kunnen een hele waslijst opsommen waarom de stad niet deugt. Kerkverlating. Onveiligheid op straat. Zinloos geweld. Onbeschofte omgang in de publieke ruimte. Agressief verkeersgedrag. Openbare dronkenschap. Grote en kleine criminaliteit. Prostitutie. Onverschilligheid. Burengerucht. Drugsoverlast. Vreemde culturen. Zwerfvuil. Hondenpoep. Wildplassers. We wenden ons er het liefst van af.

Wat moet God doen om onze aandacht te trekken voor de stad? Zijn dienaren meesleuren tot voor de poorten van de hel om hen op andere gedachten te brengen?

Jona kon het zich niet voorstellen dat God iets goeds van plan was met de stad. Toch ging hij, ondanks de doemscenario’s die door zijn hoofd spookten. Hij predikte het oordeel, maar God schonk genade. Daar stond hij wel even van te kijken. De stad onderging een metamorfose. (Inclusief het vee, dat met nadruk genoemd wordt. Vee vertegenwoordigde de economie van die tijd.)

Het evangelie kan complete steden veranderen. De eerste preek die Jezus ons meegeeft staat in de context van de stad. Hij citeert de bekende woorden uit Jesaja 61, waarmee Hij zijn eigen missie aangeeft om het evangelie te brengen en het aangename jaar des Heren aan te kondigen in plaats van een dag van wraak. Lees je in Jesaja verder over dit genadejaar, dan vind je hier de mensen die door God in goede aarde zijn geplant. Het zijn de mensen die Jezus in Johannes 15 zijn volgelingen noemt, die veel vrucht zullen dragen als ze in Hem blijven.

Wat doen die mensen? In datzelfde Jesaja 61 staat dat zij de steden die in puin liggen zullen vernieuwen. De verkondiging van het evangelie van genade leidt tot vernieuwing van de steden!

God wil het goede voor de steden. Het goede dat wij elkaar toewensen, wenst God de steden toe. Hij wil de stad een hoopvolle toekomst geven.

‘Ik weet welke gedachten Ik over u koester, spreekt de HEER. Gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven.’ (Jeremia 29:11)

Jazeker, deze populaire wenstekst uit Jeremia 29 slaat ook weer allereerst op de stad. Er gaat een opdracht aan deze hoopvolle zegen vooraf die God belooft:

‘Zoek de vrede voor de stad… bid voor haar.’

Kikker of vogel
Christenen hebben een speciale taak in de stad. Zij kunnen er leven brengen en redding. Maar zij kunnen het ook laten afweten.

Sodom en Gomorra werden niet getroffen vanwege de zonde die daar vrij spel had, maar vanwege het gebrek aan rechtvaardigen die in de stad God vertegenwoordigden. Abraham, geshockeerd door het einde van beide steden, zou zijn geloofsoog oefenen en een stad voor zich zien vol rechtvaardigen, waar God de Bouwmeester van zou zijn (Hebreeën 11:10).

Je kunt de stad als een kikker vanuit de goot bekijken. Dan is alles groot en eng. Maar je kunt ook je perspectief veranderen en proberen als een vogel de stad te bekijken. Dan overzie je meer.

Ik hou ervan om in een stad het hoogste punt op te zoeken en hem van bovenaf te overzien. Het is alsof ik dan met Gods ogen mee mag kijken en mag dromen over zijn plannen.

Ik zie het voor me hoe de straten vollopen als de kerk begint. Hoe mensen in de supermarkt elkaar groeten en aanspreken en vertellen hoe goed God vandaag weer voor hen is. Ik hoor het zingen en God eren op straat, zie mensen met verschillende inkomens goederen uitwisselen, jong en oud plezier maken in de parken, kinderen en meisjes die onbekommerd ’s avonds over straat gaan. Ouderen die geëerd worden. En ik zie zelfs hoe mensen hun fietsen wegzetten zonder ze op slot te hoeven doen. (Het touwtje van Jan Terlouw hangt uit iedere brievenbus.)

Het evangelie heeft de kracht om mensen te veranderen, maar ook complete samenlevingsvormen.

Wat geloven wij? Hebben we visie voor onze stad? Bidden we dat Gods Koninkrijk zal komen en zijn wil zal geschieden? Wat stellen we ons daarbij voor?

God wil zijn vingerafdruk terugzien in individuele mensen en gezinnen, in het onderwijs, de politiek, het zakenleven, de kunst en cultuur, op straat, in de wijk en overal in de stad.

Misschien kunnen we als kerken en gemeenten de stad niet op onze schouders nemen, maar we kunnen wel mensen in ons hart en onze gebeden dragen en ze op straat begroeten vanuit Gods liefde.

Als ik mijn geloofsogen geoefend heb om de stad te zien zoals ze zou kunnen zijn, daal ik weer af, terug naar de begane grond, het gewone leven in. Het gaat hier om de gewone dingen waarin je met Gods Geest binnenin je als een van de weinigen God vertegenwoordigt.
Want we leven zoals de Joden in Babylon als ballingen en zoals Abraham als vreemdelingen in een vreemd land. Maar als je de stad ziet als jouw ‘beloofde land’, als je je straat, wijk, school, faculteit of werkplek als het terrein ziet dat God jou wil geven om tot zegen te zijn en zegen uit te ontvangen, gebeurt er iets met jezelf. Je gaat een roepingsbesef ontwikkelen.

Veel christenen kunnen niet goed aangeven waar God hen een opdracht voor geeft, maar roeping begint daar waar God gaat spreken en vertelt dat Hij jou gewild heeft op jouw plek. Dan krijgt alles en iedereen om ons heen betekenis en is het vanzelfsprekend dat we de mensen in onze directe omgeving in gebed adopteren.

Je leeft niet zomaar ergens. Als je een gebied tot jouw gebied maakt, zul je merken dat je daar anders voor gaat bidden. Het vrijblijvende gaat eraf. Je bent betrokken en bidt met gezag en verwachting.

Je gaat ook anders in je omgeving staan. Het is niet meer ‘een gebied’, maar ‘jouw gebied’. Je stelt je niet langer op als een willekeurige buurman, collega of klasgenoot, maar als degene die Jezus Christus op die plek vertegenwoordigt. Je bent die buurman, collega of klasgenoot die Jezus kent, met zich meedraagt en overbrengt.

Je zult ervaren hoe kostbaar jij bent voor God en mensen.

Concreet bidden
Het is belangrijk om de mensen om je heen te begrijpen en je eigen gebied te kennen. Dat helpt je om voor concrete zaken te bidden en gerichte veranderingen te verwachten. De volgende vijf vragen kunnen je helpen om de mensen in jouw gebied beter in kaart te brengen:

• Wie zijn de beïnvloeders in mijn gebied?
• Wie zijn de kwetsbaren?
• Wie staan er open voor het evangelie?
• Wie hebben de meeste weerstand tegen het evangelie?
• Welke christenen zijn ook in mijn gebied actief en hoe kunnen we samenwerken, samen bidden?

En dan maar ter plekke zijn wie je bent: een vertegenwoordiger van Jezus.

Het begint met een goed woord voor je buren, klasgenoten, collega’s. Hen zegenen. Zegenen is uitspreken wat God in hun leven wil doen. Paulus begon al zijn brieven met een zegenbede. Vervolgens kun je alles bidden wat de heilige Geest je te binnen brengt voor de mensen die je in gedachten hebt geadopteerd. Paulus sluit elke brief af met de groeten en een gebed om genade.

Bidden is geen eenrichtingsverkeer. We zeggen dingen tegen God, maar Hij wil ook dingen tegen ons zeggen. Geven we Hem de kans daartoe? We mogen in ons gebed leren om naar Hem te luisteren. Hij wil spreken door de Bijbel, maar ook door ons dingen in gedachten te geven.
Als je voor mensen bidt, kan God je bepaalde indrukken geven. Dat kan een bijbelgedeelte, een gedachte of een beeld zijn dat je vervolgens in je gebed verwoordt, maar ook een idee om mensen te bemoedigen of praktisch te helpen. Als je ze tegen komt ben je er klaar voor om te doen wat God je ingaf. Je bent al bij hen betrokken, omdat je in gebed met hen bezig was.

Het helpt om een lijstje met namen te maken en mensen bij naam te noemen. Ik heb zo’n lijstje van de mensen met wie ik op het Noordereiland (waar ik woon) contact heb gemaakt. Ik ken ze bij naam. Ik groet ze. Ik heb trouwens de gewoonte om iedereen te groeten die ik tegenkom. Ik zie mensen opklaren als ik dat doe. Ik weet dat Jezus naar ze kijkt als ik ze aandacht geef.

Opwekking of reformatie
Jezus stuurt ons met een opdracht de wereld in. Wat geloven we over onze aanwezigheid in onze stad, wijk, straat?

In het bijbelboek Handelingen lezen we dat de vroege kerk in navolging van Jezus Christus en vol van de heilige Geest de toenmalige wereld op z’n kop zette. Ze traden bewogen naar buiten met een boodschap en een levensstijl die de wereld om hen heen confronteerde met hun tekort. De eerste christenen vormden een protestbeweging en kwamen met een radicaal alternatief.

Massa’s mensen, hele steden en complete provincies werden beïnvloed door het evangelie. Door Gods genade, de bijzondere levensstijl van christenen, de verkondiging van het Woord en het werk van de heilige Geest kwamen veel mensen tot geloof en erkenden Jezus Christus als Heer. Tekenen en wonderen volgden.

In de kerkgeschiedenis zien we meer van die oplevingen. Ze worden opwekkingen of revivals genoemd. Een opwekking is een geestelijke doorbraak, waarbij mensen massaal tot bekering komen. Maar zo’n opwekking oefent lang niet altijd een blijvende invloed uit. Vaak stokt het enthousiasme na een poosje en blijven er geen resultaten achter. Er worden geen discipelen van Jezus gemaakt, er verandert geen levensstijl, de cultuur wordt niet beïnvloed. De kerk verstart en de opwekking zakt weer in.

Maar het kan ook anders, als Gods Geest met kracht komt en de manier van denken en leven beïnvloedt. Er kan op Gods tijd en met bereidwillige, moedige mensen een reformatie op gang gebracht worden die de manier van denken, het omgaan met elkaar en zelfs de structuren van de samenleving veranderen. Dat wordt merkbaar in het onderwijs, de politiek, kunst en cultuur, op straat en in het gezinsleven. Het wordt ook overgedragen op volgende generaties.

Een reformatie geeft de samenleving een ander aanzien. Het geweld wordt teruggedrongen, de zorg voor elkaar neemt toe. Het is een publiek geheim hoeveel instellingen die de levensstandaard van allerlei samenlevingen hebben verbeterd een christelijk geïnspireerde oorsprong hebben. Denk aan onderwijs, wetenschap, de afschaffing van de slavernij, vrouwenkiesrecht, ouderenzorg, gezondheidszorg.

Zo’n grootschalige maatschappelijke verandering hebben we in de eerste eeuwen van onze jaartelling in landen rondom de Middellandse Zee gezien, rond 1600 in Noordwest-Europa en daarna incidenteel in andere landen. Maar nooit wereldwijd.

Hoop voor elke stad
Weten we wat zo’n reformatie op gang brengt? Richard Lovelace, die in zijn studie ‘Dynamics of spiritual life, an evangelical theology of renewal’ de invloed van de kerk op de samenleving heeft onderzocht, schrijft dat aan elke krachtige opleving altijd een nieuwe kijk op Jezus voorafging. Zo’n omwenteling ontstaat dus door een bijzondere openbaring van Jezus. Een sterk bewustzijn van Jezus verleent kracht aan de gelovigen en verandert allereerst de kerk, maar dan ook haar omgeving.

Geloven we in zo’n reformatie? Volgens Jezus zou zijn werk een wereldwijde impact hebben.

Als Hij zegt dat Hij wil dat we alle volken tot zijn discipelen maken, bedoelt Hij dat alle mensen scherp zicht zullen krijgen op Hem om Hem te kunnen volgen, en dat wereldwijd (Matteüs 28:19). En dat mensen zowel toegewijd zullen zijn aan Hem als aan elkaar. Geloven we die woorden? Helpen we elkaar om Jezus te zien en Hem te volgen?

Op dit moment zien we Jezus als nooit tevoren geopenbaard in zijn genade. Voor het eerst komt er een besef van Gods goedheid op gang die dankzij de reikwijdte van moderne media en de verdieping door middel van boeken de hele wereld bereikt. Overal ontdekt de kerk dat Jezus al onze zonden op zich nam, zodat we voorgoed vergeven zijn en onbelemmerd het geloof ontvangen dat we gerechtvaardigd zijn en Gods beloften mogen ontvangen. Dat heeft direct effect op het dagelijks leven van de gelovige.

Geloof in Gods genade brengt een nieuwe taal en een bijzondere liefde op gang, vrij van voorwaarden, wet en oordeel. Dit geloof contrasteert sterk met een wereld vol geweld, discriminatie en uitsluiting. Het schept een bijzondere gemeenschap van mensen die vrij zijn van oordeel en elkaar Gods zegen gunnen – precies dat wat elke stad nodig heeft.

De openbaring van Jezus brengt een wereldwijde beweging van genade op gang die de hoop is voor elke stad. Ook al zijn we als stadskerken dan klein in omvang, de kracht van de liefde van Jezus die in ons leeft en onze gemeenschappen kenmerkt is niet van deze wereld.

Met dat onderscheid vallen we op. Als we tenminste brutaal genoeg zijn om te willen opvallen. Of moet ik zeggen moedig genoeg. Krachtig genoeg. Waar de gelegenheid zich voordoet, wil ik mijn mond graag opendoen, omdat ik mijn stad en mijn stadsgenoten Jezus en zijn genade gun.

Willem de Vink
Dit essay is een geactualiseerde versie van de stadsvisie die ik schreef als directeur van Agapè (2004, 2018).

Lees ook mijn artikel ‘De kerk kan best zonder leiders, maar niet zonder vaders.’

Meer artikelen…